Uitspraak
21 september 1999.
Hoge Raad
In deze zaak heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba de verdachte in hoger beroep veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf wegens doodslag, nadat het Gerecht in Eerste Aanleg het vonnis had vernietigd. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze veroordeling.
Het cassatiemiddel betrof met name de klacht dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het bepaalde getuigenverklaringen als bewijs had gebruikt, in strijd met artikel 6 EVRM Pro en artikel 14 IVBPR Pro. De Hoge Raad overwoog dat het in principe aan de feitenrechter is om te bepalen welk bewijsmateriaal betrouwbaar is en dat hij niet altijd nadere motivering hoeft te geven over de keuze en waardering van bewijs, tenzij bijzondere omstandigheden dit vereisen.
De Hoge Raad concludeerde dat het hof in deze zaak voldoende motivering had gegeven en dat het cassatiemiddel faalt. Ook andere klachten werden verworpen. Het beroep werd verworpen en de veroordeling tot vijftien jaar gevangenisstraf bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot vijftien jaar gevangenisstraf wegens doodslag blijft in stand.