ECLI:NL:PHR:2002:AE2746
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling wegens opzettelijk niet doen van loonopgaaf en onjuiste belastingaangiften
Verdachte is door het hof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens het feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk niet doen van de opgaaf van loon aan de bedrijfsvereniging, het niet voldoen aan meldingsplichten en het onjuist en onvolledig doen van belastingaangiften. Het hof legde een gevangenisstraf van twee jaar op, waarvan zes maanden voorwaardelijk.
In het cassatieberoep betoogde de verdediging onder meer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat verdachte reeds een verhoging had voldaan die was opgelegd door de belastingdienst, en dat het ne bis in idem-beginsel aan vervolging in de weg stond. De Hoge Raad oordeelde dat het overgangsrecht van artikel 69a AWR niet van toepassing was en dat het ne bis in idem-beginsel niet leidde tot een onrechtmatige dubbele vervolging.
Verder werd aangevoerd dat het bewijs onvoldoende was voor het staken van de bedrijfsactiviteiten per 1 oktober 1997. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof dat dit feit was bewezen niet onbegrijpelijk, mede gelet op verklaringen van een opsporingsambtenaar en de eigen verklaring van verdachte.
De Hoge Raad verwierp alle middelen van cassatie en bevestigde het arrest van het hof. Daarmee blijft de veroordeling en strafoplegging in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling en strafoplegging wegens opzettelijk niet doen van loonopgaaf en onjuiste belastingaangiften.