ECLI:NL:PHR:2002:AD9787
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over omzetbelasting en ondernemerschap van publiekrechtelijke lichamen bij levering rioolwaterzuiveringsinstallatie
In deze zaak staat centraal of een publiekrechtelijk lichaam, hier een waterschap, als ondernemer kan worden aangemerkt voor de overdracht van een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) aan een stichting en of het recht op herziening van voorbelasting bestaat.
Het waterschap had de RWZI gebouwd en de economische eigendom overgedragen aan een stichting, waarbij het gebruik van de installatie via huur werd voortgezet. Het hof stelde vast dat het waterschap de RWZI niet tot het ondernemingsvermogen rekent en dat daardoor de levering niet in het kader van de onderneming is verricht. Dit leidde tot afwijzing van het recht op herziening van de voorbelasting.
De Hoge Raad bevestigt dat artikel 7 Wet Pro OB 1968 en de Zesde richtlijn ruim moeten worden uitgelegd, maar dat het waterschap door de gemaakte afspraak en feitelijke situatie heeft afgezien van ondernemerschap ten aanzien van de RWZI. Ook is geen sprake van concurrentievervalsing die belastingplicht zou rechtvaardigen. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt daarmee de uitspraken van het hof.
Uitkomst: Het beroep van het waterschap wordt ongegrond verklaard; de levering van de RWZI is niet in het kader van de onderneming verricht en er is geen recht op herziening van voorbelasting.