ECLI:NL:PHR:2002:AD9335
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt gebruik alternatieve energiebronnen door huurder als goed huurder
In deze zaak stond centraal of een huurder zijn woning overeenkomstig de bestemming en als een goed huurder gebruikte door deze te verwarmen en te verlichten met alternatieve energiebronnen, zoals propaangasflessen en batterijen, nadat de woning was losgekoppeld van gas- en elektriciteitsvoorzieningen.
De verhuurder vorderde ontbinding van de huurovereenkomst wegens vermeend verhoogd brand- en ontploffingsgevaar en illegaal elektriciteitsaftappen. De kantonrechter, rechtbank en het hof wezen deze vorderingen af, waarbij werd overwogen dat het brandgevaar niet in onverantwoorde mate was toegenomen en dat het illegaal aftappen van elektriciteit sinds oktober 1998 was gestaakt.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep niet ontvankelijk was omdat het feitelijke oordeel van de lagere rechters niet op juistheid kan worden getoetst in cassatie. Tevens bevestigde de Hoge Raad dat de huurder binnen redelijke grenzen niet onnodig gevaar of hinder mag veroorzaken, maar dat het gebruik van alternatieve energiebronnen in dit geval niet onrechtmatig was.
De Hoge Raad benadrukte dat de verhuurder niet slaagt in haar stelling dat de huurder een absolute verplichting heeft om alle risico's te vermijden en dat de belangenafweging van de rechtbank begrijpelijk was. Het beroep werd verworpen en de verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de woningbouwvereniging wordt verworpen en de ontbinding van de huurovereenkomst wordt afgewezen.