ECLI:NL:PHR:2002:AD7357
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Geen onrechtmatige voorlopige hechtenis na vrijspraak wegens diefstal met geweld
Eiser werd op 18 november 1994 aangehouden en in voorlopige hechtenis genomen wegens verdenking van diefstal met geweld. Na een veroordeling in eerste aanleg werd hij bij arrest van 20 september 1995 door het hof vrijgesproken en onmiddellijk in vrijheid gesteld. Eiser vorderde vervolgens schadevergoeding van de Staat wegens onrechtmatige voorlopige hechtenis.
De rechtbank wees de vordering af, stellende dat geen sprake was van onrechtmatige vrijheidsbeneming, omdat de voorlopige hechtenis was gebaseerd op een redelijk vermoeden van schuld. Het hof bekrachtigde dit oordeel in hoger beroep. Eiser stelde cassatie in tegen deze uitspraken.
De Hoge Raad oordeelt dat de onschuldpresumptie niet is geschonden omdat het hof de vrijspraak als vaststaand heeft aangenomen en niet heeft gesuggereerd dat eiser zich toch schuldig zou hebben gemaakt. Tevens heeft het hof geen argumenten uit de strafzaak gebruikt om de schadevordering af te wijzen, maar uitsluitend onderzocht of de verdenking ten tijde van de voorlopige hechtenis ongegrond was. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat geen sprake is van onrechtmatige voorlopige hechtenis.