ECLI:NL:PHR:2001:ZD2770
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wijziging ontnemingsvordering en bewijs in mensenhandelzaak
In deze zaak werd verzoeker veroordeeld voor mensenhandel en deelneming aan een criminele organisatie. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij zij de grondslag van de vordering wilde uitbreiden. Verzoeker stelde dat deze wijziging niet was toegestaan omdat de vordering hetzelfde feit moest betreffen volgens artikel 313 Sv Pro.
De Hoge Raad oordeelde dat de ontnemingsprocedure een aparte procesgang is en dat artikel 313 Sv Pro slechts beperkt van toepassing is. De vordering tot ontneming hoeft niet dezelfde feitelijke grondslag te hebben als de strafzaak, mits de band met de hoofdzaak niet wordt verbroken. De rechter is niet gebonden aan de inhoud van de vordering en kan ook buiten de door de officier aangegeven grenzen oordelen over het voordeel.
Verder werd vastgesteld dat verzoeker als werkgever kan worden aangemerkt omdat hij een gezagsverhouding had met de vrouwen die in zijn clubs werkten. Het hof verwierp ook het verweer dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ondeugdelijk was. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de toelaatbaarheid van de wijziging van de ontnemingsvordering en de kwalificatie van verzoeker als werkgever.