ECLI:NL:PHR:2001:AD4348
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor opzettelijk onjuiste belastingaangifte
Verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting over 1991, waarbij hij onjuist had aangegeven dat loonbelasting en premies volksverzekeringen waren ingehouden terwijl dit niet het geval was. Het hof oordeelde dat het onjuist vermelden van dergelijke inhoudingen in de aangifte kan leiden tot een te laag vastgestelde belasting.
Verdachte voerde in hoger beroep aan dat hij niet opzettelijk had gehandeld en dat hij vertrouwde op door een voormalig werkgever verstrekte gegevens. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat verdachte zich willens en wetens blootstelde aan de aanmerkelijke kans dat de aangifte onjuist was.
De Hoge Raad overwoog dat het hof niet verplicht was om expliciet op elk verweer te beslissen dat niet uitdrukkelijk en specifiek in hoger beroep was aangevoerd. Het cassatiemiddel dat het hof naliet te beslissen op een bepaald verweer faalde. De Hoge Raad bevestigde dat het hof geen verkeerde rechtsopvatting had door het opzet van verdachte aan te nemen en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften blijft in stand.