ECLI:NL:PHR:2000:AA4985
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling proceskostenvergoeding bij samenhangende belastingzaken en toetsing aan EVRM
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het oordeel van het gerechtshof Den Haag inzake de proceskostenvergoeding bij navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen over 1987. Het hof had de navorderingsaanslag premieheffing vernietigd en oordeelde dat voor proceskostenvergoeding geen grond bestond vanwege samenhang met een andere zaak waarin reeds proceskosten waren toegekend.
De belanghebbende stelde dat het Besluit proceskosten fiscale procedures, dat samenhangende zaken als één zaak beschouwt en daardoor de vergoeding beperkt, onverbindend is omdat het leidt tot een lagere vergoeding dan de werkelijke kosten. Hij beriep zich daarbij op artikel 1 van Pro het Protocol bij het EVRM over onteigening van eigendom.
De Hoge Raad overwoog dat het Besluit in overeenstemming is met artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken en dat de regeling van samenhangende zaken redelijk is omdat procedures in dergelijke zaken doorgaans weinig extra tijd kosten. De stelling dat het Besluit in strijd is met het EVRM werd verworpen omdat de regeling binnen het kader van de belastingprocedure blijft en geen onrechtmatige onteigening inhoudt.
De middelen van de belanghebbende werden ongegrond verklaard en het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het hof over de proceskostenvergoeding blijft in stand.