1.7. Binnen de genoemde termijn is een brief van de belanghebbende bij Uw Raad ingekomen die primair inhoudt dat haar een vergoeding van proceskosten toekomt volgens het vóór 1 januari 1994 geldende recht.
1.8. De Griffier van Uw Raad heeft op 10 juni 1994 een afschrift van de brief aan de staatssecretaris van Financiën (hierna te noemen de Staatssecretaris) gezonden, bij welke gelegenheid de Staatssecretaris in de gelegenheid gesteld is daarop binnen 6 weken te reageren.
1.9. Binnen de genoemde termijn is een brief van de Staatssecretaris bij Uw Raad ingekomen waarin het primaire standpunt van de belanghebbende wordt bestreden.
2. Onrechtmatige daad.
2.1. Ik stel voorop dat het standpunt van de belanghebbende, althans haar motivering, op een misverstand moet berusten.
2.2. De belanghebbende sluit namelijk aan bij de jurisprudentie van de burgerlijke rechter die, kort gezegd, inhoudt dat de oplegging van een belastingaanslag die door de belastingrechter onrechtmatig wordt bevonden, een onrechtmatige daad vormt en dus verplicht tot schadevergoeding, waaronder vergoeding van de voor de administratiefrechtelijke procedure redelijkerwijs en tot redelijke bedragen gemaakte proceskosten.
2.3. In het onderhavige geval gaat het echter om een procedure die is ingeleid met de voldoening op aangifte door de belanghebbende zelf.
2.4. Op die situatie heeft de bedoelde jurisprudentie van de burgerlijke rechter geen betrekking.
2.5. Nu is het misschien wel denkbaar dat een voldoening op aangifte zelf weer het gevolg kan zijn van enig onrechtmatig handelen van de Staat, maar daaromtrent staat in deze zaak in het geheel niets vast.
2.6. Ook is het denkbaar dat de uitspraak op het bezwaarschrift als onrechtmatige daad moet worden aangezien, maar ook dat volgt geenszins zonder meer uit de civiele jurisprudentie.
2.7. Ik meen dat reeds op deze grond het primaire standpunt van de belanghebbende verworpen moet worden.
3. Redelijkheid en billijkheid.
3.1. De belanghebbende beroept zich erop dat de overgangsregeling, die meebrengt dat op de cassatieprocedure, afgesloten met een na 31 december 1993 gewezen arrest van Uw Raad, de regeling van art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken van toepassing is, strijdt met de tussen haar en de Staatssecretaris (c. q. de Staat) toe te passen redelijkheid en billijkheid.
3.2. Ik kan daar niet in meegaan. De wetgever van 1993 heeft een weloverwogen en duidelijke regeling getroffen, waarin argumenten als die van de belanghebbende zijn afgewogen tegen andere overwegingen. Het is niet aan de rechter - noch de burgerlijke rechter, noch de belastingrechter - die afweging te toetsen.
3.3. Het zou slechts anders zijn, indien de afweging door de Nederlandse wetgever in strijd zou zijn met het geschreven internationale recht, maar dat voert de belanghebbende - afgezien van een vaag beroep op HR 15 september 1989, nr. 7453, met conclusie van de advocaat-generaal Asser, NJ 1990, 322 met noten van E. A. A. Luijten en E. A. Alkema - niet aan.
4. De te nemen beslissing.
Aangezien volgens het subsidiaire standpunt van de belanghebbende en volgens het standpunt van de Staatssecretaris een proceskostenveroordeling ten bedrage van ƒ 2.840,- passend is, zou Uw Raad dienovereenkomstig kunnen beslissen.
5. Conclusie over proceskosten.
De conclusie strekt tot veroordeling van de Staatssecretaris in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van de belanghebbende vastgesteld op ƒ 2.840,- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden