ECLI:NL:PHR:1999:AA3830
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vennootschapsbelastingplicht van vereniging bij projectontwikkeling en financiering
De zaak betreft een vereniging die in 1987 een overeenkomst sloot voor de bouw van een kantoorgebouw, waarbij zij als belegger optrad. De vereniging was nauw betrokken bij het project, samen met J B.V., vertegenwoordigd door een bestuurder die ook directeur was van J B.V. en lid van het bestuur van de vereniging.
De Inspecteur legde een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting op voor 1989, omdat hij meende dat de vereniging belastingplichtig was vanwege het drijven van een onderneming. Het hof oordeelde dat de vereniging terecht als belastingplichtige werd beschouwd, omdat haar activiteiten samen met die van J B.V. als één geheel moesten worden gezien, en dat er geen sprake was van normaal vermogensbeheer.
De vereniging stelde cassatie in tegen het oordeel over haar belastingplicht. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd welke activiteiten van J B.V. aan de vereniging konden worden toegerekend en dat het hof ten onrechte aannam dat de vereniging en J B.V. als één geheel konden worden beschouwd voor de belastingheffing. Tevens werd het oordeel over het vermoeden van snelle verkoop van het project onvoldoende onderbouwd.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling, waarbij nader moet worden onderzocht welke activiteiten aan de vereniging kunnen worden toegerekend en of zij daadwerkelijk een onderneming drijft in de zin van de vennootschapsbelastingwet.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof voor nadere behandeling.