ECLI:NL:PHR:2006:AW2207
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ondernemerschap voor verliesverrekening bij risicovolle valutatransactie
De zaak betreft de vraag of A BV een onderneming dreef in de periode van september 1990 tot januari 1991, toen zij een zeer risicovolle obligatielening in Peruaanse Inti uitgaf en de opbrengst in Nederlandse guldens op een depositorekening plaatste. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof Arnhem dat deze activiteiten meer waren dan normaal vermogensbeheer en kwalificeren als ondernemingsactiviteiten in de zin van art. 20, lid 5, oud Wet Vpb 1969.
De Hoge Raad overweegt dat het begrip onderneming in deze context ruim moet worden uitgelegd, ruimer dan het begrip in de Wet inkomstenbelasting 1964, mede vanwege de ratio van de regeling die handel in verliesvennootschappen wil tegengaan. Hoewel er een tertium bestaat tussen normaal vermogensbeheer en ondernemen, moet abnormaal vermogensbeheer in dit kader als ondernemen worden beschouwd.
De Hoge Raad wijst erop dat de activiteiten van A BV gekenmerkt werden door hoge risico's, een lange looptijd van de lening, en deelname aan het economisch verkeer via contracten met bemiddelaars. Het feit dat de transactie verliesgevend was, doet niet af aan het ondernemerschap. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt daarmee het oordeel dat verliesverrekening niet is toegestaan.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat A BV een onderneming dreef, waardoor verliesverrekening niet is toegestaan.