ECLI:NL:PHR:1999:AA2769
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over aanvang cassatietermijn bij verzending uitspraak en belastingheffing vakantiegeld
Belanghebbende, werkzaam in overheidsdienst, voerde in cassatie aan dat vakantiegeld slechts voor 75% belast mocht worden, gelijkgesteld aan vakantiebonnen. Het gerechtshof verwierp dit standpunt en bevestigde de volledige belastingheffing. De Hoge Raad behandelt in deze zaak primair de vraag wanneer de cassatietermijn aanvangt: bij de openbare uitspraak, uitreiking of verzending van de uitspraak.
De Hoge Raad concludeert dat de termijn voor het instellen van cassatie begint met ingang van de dag na verzending van het afschrift van de uitspraak aan partijen, conform artikel 6:8 Awb Pro en artikel 17 Wet Pro ARB. De uitreiking van een afschrift ter zitting wordt gezien als een service en heeft geen rechtsgevolg voor de termijn. Ook het in het openbaar uitspreken van de beslissing is niet bepalend voor de termijn, omdat dit slechts het dictum betreft en dient voor de rechtsgemeenschap.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep inhoudelijk en bevestigt dat het volledige vakantiegeld belast mag worden zonder strijd met het non-discriminatiebeginsel. Wel acht de Hoge Raad het redelijk dat de Staatssecretaris de proceskosten van het pleidooi in cassatie vergoedt, omdat belanghebbende daartoe gedwongen was door de ontvankelijkheidskwestie.
De conclusie van de Procureur-Generaal luidt tot verwerping van het beroep, met een uitzondering voor de proceskostenvergoeding voor het pleidooi.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de cassatietermijn vangt aan na verzending van het afschrift van de uitspraak.