1 Te weten: (USD 1000 *i)/h= ƒ j.
2 Vergelijk de productie bij conclusie van repliek voor Hof 's-Gravenhage, Indenture, blz. 24, aangeduid als pagina 10, productie 6.
3 Uitspraak van 22 juli 2003, nummer 01/00926.
4 Zie omtrent de (volgens mij niet geheel correcte) omschrijving van de kasvariant door het Hof, de bespreking van het tweede middel in onderdeel 7.
5 [Noot CvB:] Vertaling van indenture, blz. 3, vierde alinea, aangeduid als pagina 6, productie 5. Vergelijk ook de vertaling van de emissieprospectus, blz. 9, vierde alinea, aangeduid als pagina 5, productie 6. Deze passage behoort niet tot de door het Hof vastgestelde feiten. Uit het controlerapport (blz. 9) volgt dat belanghebbende bij de conversies die in 1994 zijn afgewikkeld in aandelen is uitgegaan van de koers van USD 1 is ƒ i.
6 [Noot CvB:] Deze passage behoort niet tot de door het Hof vastgestelde feiten.
7 (...)
8 (...)
9 Belanghebbende betoogt in cassatie dat zij een bedrag van ƒ w in aftrek heeft gebracht, waarna de Inspecteur dit bedrag heeft uitgesplitst in een niet-aftrekbare betaling van ƒ v en een bijtelling ad ƒ n ter zake van valutawinst. Dit lijkt mij een juiste weergave van de feiten. De verschillen van inzicht tussen belanghebbende en de Inspecteur in het bedrag dat is betaald ter zake van de kasvariant komen voort uit de verschillende koersen waartegen de schuld is omgerekend.
10 Het Hoofd van de eenheid Grote Ondernemingen Amsterdam van de Belastingdienst.
11 Dit is de vraag die het Hof heeft beantwoord in de onderdelen 6.4.1 en 6.4.2 van zijn uitspraak. De omschrijving van het geschil in onderdeel 4.1, tweede gedachtestreepje '(...) kan (...) de bij de conversie geconstateerde valutawinst (...) in aftrek worden gebracht' wijkt hiervan af, maar beoogt mijns inziens hetzelfde.
12 Bij de behandeling van het eerste middel in onderdeel 7, wordt ingegaan op de aanvang van de cassatietermijn in casu.
13 Verweerschrift in cassatie, blz. 3.
14 Zie de aanvulling op het beroepschrift in cassatie met dagtekening 9 september 2003.
15 Vergelijk omtrent de anonimisering van uitspraken ten behoeve van openbaarmaking, onderdeel 2 van de conclusie van A-G Ilsink van 10 augustus 2001 voor Hoge Raad 27 september 2002, nr. 34.928, BNB 2002/376 en onderdeel 5 van mijn conclusie van 2 juli jl., nr. 40.213.
16 Zie het beroepschrift voor het Hof met dagtekening 8 juni 2001.
17 Kamerstukken II, 1997/98, 25 175, nr. 9, Toelichting op amendement van de leden Giskes en B.M. de Vries, Aanpassing van het fiscale procesrecht aan de Algemene wet bestuursrecht en wijziging van een aantal fiscale en andere wetten (herziening van het fiscale procesrecht), amendement m.b.t. anonimisering en openbaarmaking van uitspraken en arresten, 8 april 1998.
18 Vergelijk Handboek voor de naamloze en de besloten vennootschap, twaalfde druk, E.J.J. van der Heijden, bewerkt door W.C.L. van der Grinten, Zwolle, 1992, nr. 196.1 en Asser-serie, Vertegenwoordiging en rechtspersoon, de naamloze en de besloten vennootschap, tweede druk, bewerkt door J.M.M. Maeijer, Deventer, 2000, nr. 97 en 199. Zie verder over de civielrechtelijke aspecten van converteerbare obligaties: J.J. Prinsen, Converteerbare obligaties. Omzetting van schuld in eigen vermogen, serie monografieën vanwege het Van der Heijden instituut, deel 79, 2004, F.J.P. van den Ingh c.s., Converteerbare obligaties en aandelen, serie monografieën vanwege het Van der Heijden instituut te Nijmegen, deel 43, 1993 en S.E. Eisma, Civielrechtelijke aspecten van converteerbare obligatieleningen, WFR 1995/1021.
19 Vergelijk HR 23 mei 1990, nr. 25 999, BNB 1990/206, r.o. 4.2: " (...) ['s Hofs oordeel dat sprake was van - kort gezegd - de parivariant; CvB] berust op de aan het Hof voorbehouden uitlegging van de rechtsverhouding tussen de uitgevende instelling en belanghebbende".
20 Vergelijk ook de omschrijving in het Besluit van 28 september 1998, nr. DB1998/3247M, BNB 1998/344.
21 Er is een overlapping van indexleningen en exchangeables. De staatssecretaris merkt in het Besluit van 28 september 1998, nr. DB1998/3247M, BNB 1998/344 (1. Inleiding) echter ter vermijding van misverstand op dat indexleningen en dergelijke leningsvormen waarbij de geldgever kan kiezen voor een gelijkwaardige aflossing in geld of goederen door hem niet als exchangeables worden aangemerkt.
22 In de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ) wordt aanbevolen om de afzonderlijk te onderscheiden componenten van dit financiële instrument afzonderlijk te classificeren (RJ 290.217). De boekwaarde van de financiële verplichting kan worden bepaald door de toekomstige stroom aan betalingen van rente en aflossingen tegen de geldende marktrente (voor een vergelijkbare lening zonder conversierecht) contant te maken. De boekwaarde van de conversieoptie wordt dan bepaald door de waarde van het financiële instrument minus de boekwaarde van de financiële verplichting. De converteerbare obligatielening mag echter ook voor het gehele bedrag als vreemd vermogen worden geclassificeerd (RJ 290.212); zie Handboek Jaarrekening 2003, Ernst & Young Accountants, Directoraat Vaktechniek, onder eindredactie van S. Böhmer c.s., 2003, blz. 373 en 608 e.v.
23 Vergelijk J.C.M. van Sonderen, Fiscale aspecten van opties, Fiscale Monografie nr. 64, 1993, blz. 281.
24 Ontleend aan J.C.M. van Sonderen, De heffing van vennootschapsbelasting over converteerbare obligaties en exchangeables, Liberale gifte: vriendenbundel Ferdinand Grapperhaus, 1999, Deventer, blz. 321.
25 Vergelijk o.m. J.W. Zwemmer, Fiscale aspecten van optierechten en verblijvingsbedingen, Fiscale Monografie nr. 45, 1988, blz. 58-65 en C.B. Bavinck, Fiscale aspecten van het verstrekken van opties op aandelen van de vennootschap, WFR 1988/889.
26 Vergelijk reeds M.V.M. van Leeuwe, De in aandelen converteerbare obligaties, De NV 1981, blz. 100. Zie ook o.m. J.C.K.W. Bartel, annotatie onder HR BNB 1987/201 en J. Verburg, Vennootschapsbelasting, tweede druk, 2000, blz. 161.
27 Over deze arresten is veel geschreven, zonder volledig te zijn verwijs ik naar de aantekening van P. Fortuin op de arresten in FED 1996/713, J.A.G. van der Geld, De fiscale duiding van de converteerbare obligatielening en de warrantlening voor emittent en inschrijver, TFO 1996/125, C.B. Bavinck, Conversierecht niet belast en derhalve ook niet aftrekbaar, WFR 1996/1319, J.H.M. Arts, Kapitaalstortingen voor de vennootschapsbelasting, Lelystad, 1997, blz. 331 e.v., J.W. Zwemmer, Fiscale aspecten van optierechten en verblijvingsbedingen, Fiscale monografie nr. 45, tweede druk, 1999, blz. 58 e.v., J.C.K.W. Bartel, Inkomstenbelastingaspecten van de opbrengst van (beurs)aandelen, Fiscale monografie nr. 29, derde druk, 1999, blz. 155 e.v., J.C.M. van Sonderen, a.w., 1999, J.C.K.W. Bartel Ontwikkelingen op het terrein van de vennootschapsbelasting, MBB 2000/18, paragraaf 7, en J.A.R. van Eijsden, De samenhang tussen de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting, WFR 2002/442.
28 Vergelijk o.m. Van der Geld, a.w., 1996, paragraaf 3, Bavinck, a.w.,1996, paragraaf 4, Van Sonderen, a.w.,1999, blz. 322, R.J. de Vries, noot onder HR 21 februari 2001, BNB 2001/160-161, J.J.M. Jansen, De fiscale behandeling van convertibles, warrantleningen, exchangeables en LIONS na 1 januari 2001, WFR 2002/1857, paragraaf 2; in andere zin o.m. J.H.M. Arts, a.w., blz. 336.
29 Vergelijk o.m. Zwemmer, a.w., 1999, blz. 58-62 en Van Eijsden, a.w., die uitgaan van de pari-variant en Bavinck, a.w., 1996, blz. 1323, die meent dat de Hoge Raad is uitgegaan van de disagio-variant. J. van Strien, Aspecten van renteaftrekbeperkingen in de vennootschapsbelasting, 2002, blz. 155 - 157 bespreekt beide alternatieven.
30 Volgens sommige auteurs leidt de beslissing tot een ongerechtvaardigd onderscheid tussen de jurisprudentie inzake warrants en die inzake converteerbare obligaties, omdat beide figuren in economisch opzicht vergelijkbaar zijn (vergelijk bijvoorbeeld L.W. Sillevis, F.H. Lugt, Cursus Belastingrecht, Inkomstenbelasting t/m 2000, onderdeel 2.3.3, c1).
31 Vergelijk in dit verband o.m. HR 16 februari 2000, nr. 33 795, na conclusie A-G Van den Berge, BNB 2001/173, waar de Hoge Raad overwoog: "-3.4 (...) In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 moet onder tot de inkomsten uit vermogen behorende rente worden verstaan hetgeen tussen de geldgever en de geldnemer is overeengekomen als vergoeding voor het gedurende de looptijd van de geldlening ter beschikking stellen van de hoofdsom".
32 HR 22 december 1971, nr. 16 622, BNB 1972/50, HR 28 februari 1973, nr. 17 020, BNB 1974/52, HR 25 september 1974, nr. 17 388, BNB 1974/263 en HR 17 december 1980, nr. 19 282, BNB 1981/87.
33 Zie hierover Bavinck, a.w., 1996, paragraaf 3.2.
34 Vergelijk Prinsen, a.w., blz. 105, voetnoot 31 voor een aantal voorbeelden.
35 Vergelijk Prinsen, a.w., blz. 105 -106.
36 Inkoop van de converteerbare obligatie is met afkoop van het conversierecht vergelijkbaar voor zover bij inkoop de waarde van de converteerbare obligatie wordt gevormd door het conversierecht. Vergelijk Bartel, a.w., blz. 162.
37 Vergelijk Van den Ingh c.s., a.w., blz. 11.
38 Vergelijk voor een geval van (achtergestelde) winstdelende obligaties bijvoorbeeld HR 11 maart 1998, nr. 32 240, na conclusie Plv. P-G Van Soest, BNB 1998/208, (met verwijzingsuitspraak van Hof 's-Gravenhage, 8 juni 1999, nr. 98/1187, VN 2000/4.15), waar het betrof obligaties, aflosbaar in 2033 tegen pari, of, indien dat tot een hogere betaling leidt, tegen het gemiddelde van de beurskoersen van de cumulatief preferente aandelen van de laatste drie jaren voorafgaand aan de aflossing. Nadat werd geoordeeld dat van een kapitaalverstrekking geen sprake was, kwam het verschil tussen de verplichting tegenover de obligatiehouders en de nominale waarde van de verplichting ten laste van de fiscale winst van belanghebbende. Vergelijk ook het Besluit van 28 september 1998, nr. DB98/3247M, BNB 1998/344, waar de staatssecretaris de mening is toegedaan dat de rechtsoverwegingen van HR BNB 1996/299-300 niet analoog kunnen worden toegepast op exchangeable obligatieleningen. Redengevend voor het te maken onderscheid acht hij dat bij dergelijke obligatieleningen geen sprake kan zijn van verrekening van de stortingsplicht ter zake van de door de debitrice/emittent aan hem uitgegeven eigen aandelen met zijn recht op betaling van de hoofdsom. De exchangeable wordt met andere woorden niet geconverteerd in eigen vermogen van de emittent, maar afgelost.
39 Zie hierna onderdeel 5 van deze conclusie voor de vergelijking met 'cash-settled opties'.
40 In gelijke zin: Bartel, a.w., blz. 162, die schrijft: "Evenmin vormt dit bedrag [voor afkoop van het conversierecht of de waarde van het conversierecht bij inkoop van de converteerbare obligaties] voor de houders van de (converteerbare) obligaties een bate. Zij staan een waardevol recht af dat naar het oordeel van de Hoge Raad niet is terug te voeren op een beloning voor het ter beschikking stellen van vermogen, waartegenover een tegenprestatie staat in geld. Voor hen is deze transactie gelegen in de vermogenssfeer" en Zwemmer, a.w., 1999, paragraaf 9.4, blz. 63, die schrijft dat slechts voorzover lopende rente wordt vergoed, de inkoopsom in de belaste inkomenssfeer ligt.
41 Zwemmer, t.a.p.
42 Zwemmer, a.w., blz. 61; Stevens in FED 1986/1270 stemt wel met het arrest in.
43 C.B. Bavinck, Opties en toepassing deelnemingsvrijstelling, WFR 1996/1159, paragraaf 4.
44 Bavinck, a.w., WFR 1996/1319, paragraaf 4.2.
45 Vergelijk bijvoorbeeld Zwemmer, a.w., 1999, blz. 65.
46 Vergelijk Bavinck, a.w., WFR 1996/1319, blz. 1325, die schrijft: "Het feit dat de Hoge Raad een beroep doet op een redelijke wetstoepassing rechtvaardigt de gedachte dat bij een "normale" wetstoepassing de conversieverplichting bij de vennootschap wel tot een aftrekpost zou leiden", Q.W.J.C.H. Kok, Warrantleningen, convertibles en LIONS-leningen in de vennootschapsbelasting, MBB 2000/344, voetnoot 55, en Van Eijsden, a.w. In andere zin waarschijnlijk Bartel (a.w., 1999, blz. 153) die betoogt dat de conversierechten de winstsfeer van de vennootschap niet raken, maar te vergelijken zijn met het claimrecht bij een aandelenemissie.
47 H.J. Hofstra, in: De naamlooze vennootschap, april 1949, jaargang 27, blz. 19.
48 Bartel, a.w., 1999, blz. 153.
49 Bartel, a.w., 1999, blz. 162.
50 Van Sonderen, a.w., 1999, blz. 322.
51 MvA, Kamerstukken I, 1999/2000, 26 727 en 26 728, nr. 202a, paragraaf 10.3, blz. 98-99.
52 Derde NvW, Kamerstukken II, 1999/2000, 26 728, nr. 27, blz. 17; vergelijk ook NNV, Kamerstukken II, 1999/2000, 26 727, nr. 17, blz. 55 - 57.
53 Dit artikel is ingevoerd bij Wet van 11 mei 2000, Stb. 2000, 216.
54 Met de term 'pseudo-aandeelhouder' wordt gedoeld op een dubbele hoedanigheid, in casu zowel schuldeiser als aandeelhouder.
55 Zie verder over de kapitaalsbelasting: R.W. Tieskens, Opties, convertibles en kapitaalsbelasting, WFR 2002/376.
56 De arresten van HR 25 januari 1984, nr. 21 520, BNB 1984/231 en van 19 juni 1996, nr. 30 355, BNB 1996/301, beide na conclusie van A-G Van Soest, waren achteraf bezien voorbodes van het omgaan van de Hoge Raad.
57 Naar aanleiding van de werknemersoptiearresten is wel betoogd dat het plaatsen van de optiehouder buiten de vrijgestelde deelnemingssfeer vanwege het ontbreken van het aandeelhouderschap tot onevenwichtige en onwenselijke resultaten zou leiden. Vergelijk J. Doornebal, Aftrekbaarheid van kosten van werknemersopties, WFR 2001/595, en de noot van De Vries bij BNB 2001/161, die schrijft: "-2. (...). Nu de niet-aftrekbaarheid van dergelijke betalingen als onderdeel van de rentevergoeding aanvankelijk een jurisprudentieel gegeven was en per 1 januari 2001 wettelijk is verankerd in art. 10b Wet Vpb. 1969, rijst bij mij de vraag waarom de bij de uitoefening van de optie- en conversierechten gerealiseerde voordelen - zonodig met een beroep op een redelijke wetstoepassing - niet onder de deelnemingsvrijstelling kunnen worden gerangschikt".
58 NNV, Kamerstukken II, 2000/2001, 27 896, nr. 5, blz. 9.
59 Kamerstukken II, 1997/1998, 25.721, (Wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Coördinatiewet Sociale Verzekering (aanpassing heffing ter zake van aandelenoptierechten)): MvT (nr. 3), blz. 8 en NNV, (nr. 5), onder III.8 (overige onderwerpen) en Kamerstukken I, NNV, nr. 303d, blz. 1 - 2.
60 Vergelijk Doornebal, a.w., paragraaf 8, blz. 605, Kok, a.w., paragraaf 7.2.1, alsmede P.G.H. Albert, Fiscale aspecten van eigen en vreemd vermogen, 2001, blz. 74, B. Kroep, Werknemersopties: lastenverzwaring voor de onderneming, MBB 2001/119, en E.J.W. Heithuis, De werknemersoptiearresten en het Falcons-arrest in relatie tot art. 10b Wet VPB 1969, WFR 2003/1105, paragraaf 3 en 4.
61 Van Eijsden, a.w., blz. 442.
62 Vergelijk o.m. onderdeel 2.4 van de conclusie van A-G Van Kalmthout bij HR 24 oktober 2003, nr. 37 881, BNB 2004/44, en NNV, Kamerstukken II, 1999/2000, 26 727, nr. 17, blz. 55 - 57. Zie ook Vakstudie Wet op de vennootschapsbelasting 1969, artikel 8 (7 IB), aant. 87, Inleiding. De Hoge Raad overwoog in zaaknr. 23 440, na conclusie A-G Moltmaker, gepubliceerd in BNB 1986/295, dat een redelijke wetstoepassing, welke recht doet aan de samenhang tussen de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting niet toelaat een voordeel bestaande uit het niet verschuldigd worden van rente - ook al vindt dit voordeel zijn oorzaak uitsluitend in de betrekking tussen de vennootschap en haar aandeelhouder - bij de bepaling van de winst buiten aanmerking te laten.
63 Zie E.W.J. Heithuis, R.P. van den Dool, m.m.v. Q.W.J.C.H. Kok, J.L. van de Streek, Compendium van de vennootschapsbelasting, 2004, blz. 148, E.B. van der Stok, Falcons: duidelijkheid over fiscale behandeling opties?, WFR 2003/3 (noot 17), M.D. Bosch, Het Falcon-arrest, MBB 2003/24, Van Eijsden, a.w., en Cursus Belastingrecht, a.w. (vennootschapsbelasting), onderdeel 2.4.1.C, Ligthart NTFR 2002/1813, onder 8.
64 Doornebal, a.w., paragraaf 8.
65 [Eigen noot:] Zie omtrent sar's o.m. het besluit van 30 mei 2001, nr. RTB2001/1738, VN 2001/32.14: "Indien bij de SAR de waarde of de koersontwikkeling slechts dient als rekeneenheid voor de door de werkgever aan de werknemer uit te betalen bonus in geld, is deze bonus, zoals elke loonbetaling in geld, ten volle aftrekbaar voor de vennootschapsbelasting op het moment van uitbetaling". Kamerstukken II, 1997/1998, 25.721, nr. 5, NNV, onderdeel III.8: "sar's die voor uitoefening loskomen van de dienstbetrekking, kunnen fiscaal worden gelijkgesteld met aandelenoptierechten (artikel 10a, derde lid [Wet op de loonbelasting 1964]: "of een daarmee gelijk te stellen recht")." Zie ook NNV, Kamerstukken II, 1999/2000, 26.941, nr. 5 (Belastingplan 2000 (maatregelen aangaande het loon), VN 2000/17.14.
66 Bosch, a.w., paragraaf 4.5.
67 Cursus belastingrecht (vennootschapsbelasting), t.a.p. Zie voorts: Van der Stok, a.w., paragraaf 4.2.4 en M.A. van der Zande, F. van Horzen, Opties op aandelen na het falcons-arrest. Van aanmerkelijk belang naar deelnemingsvrijstelling, WFR 2003/507, paragraaf 3.4.
68 Van der Stok, t.a.p.
69 J.A.G. van der Geld, Fiscale aspecten van financiële instrumenten, TFO 1993/169, paragraaf 2.2.3.3.
70 Bartel, a.w., blz. 161.
71 Zwemmer, a.w., 1999, blz. 64.
72 P.G. Kroon, S.F.M. Niekel, J.W. Tangelder, Wisselkoersveranderingen en fiscus, 2000, Deventer, blz. 67.
73 H.J. Meijer, De fiscale waardering van vorderingen en schulden in het bankbedrijf (2), FED 1991/351, paragraaf 3.5.
74 Beroepschrift in cassatie, blz. 4.
75 Vergelijk onderdeel 1.3 van de conclusie met de daar vermelde verwijzingen.
76 Voor wat betreft de berekening van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting: tussen partijen was voor het Hof reeds niet langer in geschil dat aan belanghebbende over het onderhavige jaar alsnog een aftrek toekomt ter zake van dubbele belasting van ƒ c (r.o. 6.6). Uit de stukken van het geding (bijlage 8 van de brief van 27 augustus 2002) valt op te maken dat belanghebbende zich ook in geval de aanslag met ƒ n wordt verminderd op het standpunt stelt dat de vermindering van vennootschapsbelasting wegens aftrek elders belast ƒ c bedraagt.