Conclusie
. De richtlijnen van het openbaar ministerie
1. Kort overzicht van de “kroongetuige” in andere Europese
Subsidiairwordt in de eerste klacht aangevoerd dat het hof bij zijn onderzoek of de overeenkomst met [betrokkene 27] past in de modelbrief uit 1983, die modelbrief had moeten uitleggen en interpreteren met inachtneming van de recente opvattingen van de PEC, het parlement en het kabinet over kroongetuigen en deals met criminelen.
Meer subsidiairwordt dan nog het standpunt verdedigd dat de Hoge Raad de modelbrief uit 1983 dient te interpreteren aan de hand van “hedendaagse maatstaven” zoals verwoord in en naar aanleiding van het onderzoek van de PEC, alsmede in de nieuwe richtlijn betreffende afspraken met criminelen.
Meest subsidiairwordt tenslotte in de eerste klacht aangevoerd dat de overwegingen over de discussie die thans plaats vindt over de kroongetuige, die het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn opvatting dat de toelaatbaarheid van de overeenkomst met [betrokkene 27] moet worden onderzocht aan de hand van de modelbrief van de Procureurs-Generaal uit 1983, onjuist en/of zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn, dan wel dat oordeel niet kunnen dragen.
tweedeklacht van het
eerstemiddel betreft het oordeel van het hof dat de overeenkomst met [betrokkene 27] voldoet aan het vereiste van subsidiariteit. In het kader van het verweer dat dit opsporingsmiddel ten onrechte is gebruikt, heeft de raadsman onder meer betoogd dat onvoldoende vaststaat dat de afspraak met [betrokkene 27] het laatste redmiddel was om het opsporingsonderzoek te doen slagen. Er liep op dat moment immers nog een infiltratie-actie. De paragraaf van de pleitnota waarin dat wordt betoogd, vangt aan met de zin:
derdeklacht van het
eerstemiddel houdt in dat 's hofs oordeel dat de overeenkomst die het openbaar ministerie heeft gesloten met [betrokkene 27] voldoet aan het vereiste van proportionaliteit onvoldoende gemotiveerd is, omdat in het bestreden arrest een afweging over de vraag of het te verwachten resultaat ook in proportionele verhouding heeft gestaan tot de aangeboden tegenprestatie (het afzien van vervolging) ontbreekt.
eersteklacht van het tweede middel is gelijk aan de eerste klacht van het eerste middel. Die klacht kan in zijn diverse onderdelen niet slagen om dezelfde redenen als de eerste klacht. Zie hierboven de nummers 13.1 tot en met 13.11.
tweedeklacht van het
tweedemiddel stelt dat het oordeel van het hof dat de afspraak met [betrokkene 26] in overeenstemming was met de toen geldende richtlijnen onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, gelet op hetgeen de procureur-generaal en de raadsman daaromtrent hebben aangevoerd.
derdeklacht van het
tweedemiddel houdt in dat 's hofs oordeel dat de toezegging aan [betrokkene 26] voldoet aan het vereiste van proportionaliteit ontoereikend gemotiveerd is, nu iedere verantwoording over de afweging van de vraag of het te verwachten resultaat ook in proportionele verhouding heeft gestaan tot de aangeboden tegenprestatie ontbreekt.
vierdeklacht van het
tweedemiddel houdt in dat 's hofs oordeel over de subsidiariteit van de overeenkomst met [betrokkene 26] strijdig is met de overwegingen van het hof over de betrouwbaarheid van de door [betrokkene 26] afgelegde verklaringen.
derdemiddel bevat de klacht dat het hof ten onrechte het verzoek heeft afgewezen tot kennisneming en/of verstrekking van:
vierdemiddel bevat de klachten dat het hof:
vijfdemiddel bevat de klachten dat:
zesdemiddel bevat de klachten dat
zevendemiddel klaagt dat het hof:
achtstemiddel bevat de klachten dat het hof:
negendemiddel bevat de klacht dat uit het bestreden arrest ten onrechte niet blijkt dat het hof heeft onderzocht en/of heeft vastgesteld dat:
tiendemiddel bevat de klacht dat het hof ten onrechte de onder 4 bewezenverklaarde handeling – te weten: dat verzoeker tezamen met zijn mededaders een handelshoeveelheid hennep (marihuana) vanuit Nigeria naar Roemenië heeft verscheept en vervoerd en doorgevoerd – heeft aangemerkt als een begin van een uitvoering van een strafbare poging tot het tezamen en in vereniging met anderen binnen het grondgebied van Nederland brengen van een handelshoeveelheid hennep (marihuana), hoewel deze handeling naar haar uiterlijke verschijningsvorm niet kan worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf.
elfdemiddel bevat de klacht dat het hof ten onrecht een zwaardere straf heeft opgelegd dan is gevorderd zonder in zijn arrest in het bijzonder de redenen op te geven waarop deze strafverzwaring is gegrond, althans doordat het hof zonder nadere motivering een gevangenisstraf heeft opgelegd die weliswaar nominaal gelijk is aan de door de procureur-generaal gevorderde gevangenisstraf, maar welke gevangenisstraf moet worden geacht te zijn opgelegd voor minderen feiten dan waartoe de vordering van de procureur-generaal zich uitstrekte, althans dat het hof de strafoplegging onvoldoende met redenen heeft omkleed.
f1.000.000,- niet zwaarder is dan het totaal van de door de procureur-generaal gevorderde straffen, inhoudende 15 jaar gevangenisstraf een geldboete van
f5.000.000,- (vgl. HR DD 95.031 en DD 95.228).
f4000.000 minder verdient duidelijk het predikaat “lichter”.
twaalfdemiddel bevat de klacht dat het hof ten onrechte een geldboete van
f1.000.000 heeft opgelegd, althans dat het hof de oplegging van een geldboete van deze omvang onvoldoende heeft gemotiveerd.
f1.000.000 heeft opgelegd, art. 12 Opiumwet Pro had moeten vermelden als één van de wettelijke voorschriften waarop de oplegging van de geldboete is gegrond. Het hof heeft dit kennelijk abusievelijk niet gedaan. De Hoge Raad kan doen wat het hof had behoren te doen.