ECLI:NL:PHR:1997:AA3250
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vennootschapsbelasting en vermogensaftrek bij buitenlandse vaste inrichting volgens zelfstandigheidsfictie
In deze zaak staat centraal of voor de heffing van vennootschapsbelasting over 1984 het bedrag dat A B.V. via verhogingen van haar aandelenkapitaal aan haar vaste inrichting in Ierland ter beschikking stelde, geheel of gedeeltelijk als schuld van die vaste inrichting moet worden aangemerkt voor de vermogensaftrek.
Het Hof had beslist dat aansluiting moet worden gezocht bij de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen van zelfstandige doch vergelijkbare ondernemingen. Zowel X B.V. als de Staatssecretaris van Financiën stelden beroep in cassatie in tegen het hofarrest.
De Hoge Raad bevestigt dat de kwalificatie van de boekhouding van de vaste inrichting als uitgangspunt geldt en dat deze bedragen als schuld moeten worden aangemerkt indien vergelijkbare zelfstandige ondernemingen vreemd vermogen zouden aanmerken. De zelfstandigheidsfictie wordt toegepast om een verantwoorde winstberekening te waarborgen, waarbij rente tussen hoofdkantoor en vaste inrichting niet als aftrekpost wordt erkend, maar verkoopprijzen en huur wel.
De Hoge Raad verwerpt de middelen van beide partijen en bevestigt het hofarrest. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van de zelfstandigheidsfictie en de fiscale behandeling van vermogensverstrekking aan buitenlandse vaste inrichtingen.
De uitspraak is van belang voor de fiscale behandeling van vermogensverhoudingen binnen fiscale eenheden met buitenlandse vaste inrichtingen, waarbij de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen van vergelijkbare zelfstandige ondernemingen leidend is.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt de cassatieberoepen en bevestigt dat de bedragen als schuld moeten worden aangemerkt conform de zelfstandigheidsfictie.