Conclusie
“4. Centraal in dit geding staat de vraag of de portacabin waarvan in dit geding sprake is als roerend dan wel als onroerend in de zin van art. 3:3 BW Pro moet worden aangemerkt. Naar deze maatstaf moet de portacabin als onroerend worden aangemerkt als de constructie naar aard en inrichting bestemd was om duurzaam ter plaatse te blijven, mede gelet op de bedoeling van de gebruiker, [betrokkene 1] , voor zover deze bedoeling naar buiten kenbaar was.”
i) De portacabin is in 1990 als bedrijfsgebouw (kantoorruimte) in gebruik genomen, naast het reeds ter plaatse bestaande bedrijfsgebouw; de beide gebouwen of constructies waren visueel door middel van een schutting met elkaar verbonden.
ii) Aan de onderzijde van de portacabin was een (demonteerbare) plint bevestigd die tot of tot in de grond reikte zodat de portacabin visueel eveneens één geheel met de grond vormde.
iii) Rond de portacabin bevond zich toentertijd een goed onderhouden tuin. De portacabin had een aparte ingang en was bereikbaar via een tegelpad.
iv) De portacabin was door middel van leidingen aangesloten op het gas-, water- en elektriciteitsnet, naast een telefoonaansluiting en een aansluiting op de riolering.
v) Bij brief van 17 oktober 1990 heeft de Rabobank aan [betrokkene 1] een bedrijfskrediet toegezegd van f 150.000,- onder de voorwaarde (onder meer) dat er ten behoeve van de Rabobank en hypotheek op de beide bedrijfsgebouwen (waaronder derhalve de portacabin) aan de [a-straat 1] te Terneuzen zou worden gevestigd.
vi) Voorafgaande aan deze geldlening en hypotheekverstrekking heeft de taxateur in onroerend goederen [taxateur] een taxatie van de beide bedrijfspanden verricht. In het taxatierapport van 23 juli 1990 zijn de panden omschreven als twee bedrijfsgebouwen waarbij het ene bedrijfsgebouw op een gewapende betonnen plaatfundering rust en het andere – waarmee kennelijk de portacabin is bedoeld – met een fundatie in betonpoeren en een stalen frame.
“6. Uit voormelde feiten kan redelijkerwijs slechts de conclusie worden getrokken dat de portacabin naar aard en inrichting bestemd was om als bedrijfsgebouw te worden gebruikt en om duurzaam ter plaatse te blijven, terwijl deze bedoeling van [betrokkene 1] naar buiten kenbaar was, zodat te dezen aan voormelde wettelijke maatstaf van art 3:3 BW Pro is voldaan. Hieraan doet niet af dat de portacabin van oorsprong en in het algemeen erop is gebouwd om deze vrij eenvoudig te kunnen verplaatsen, te minder daar die eigenschap niet bepalend behoeft te zijn voor de beslissing om een portacabin te plaatsen. Uit de in het geding gebrachte documentatie van leveranciers van zulke bouwwerken blijkt dat eigenschapen als korte bouwtijd en lage kosten evenzeer als verkoopargumenten dienen. Voorts verdient opmerking dat met een duurzame vereniging in voormelde wetsbepaling niet een vaste verbinding in technische zin wordt vereist; ook zonder een dergelijke verbinding kan een gebouw of constructie naar aard en inrichting bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven.”
“In die alinea(van de M.v.A. bij art. 6.3.2.7; DVL)
wordt tevens onder verwijzing naar HR 13 juni 1975, NJ 1975, 509(het meergenoemde Amercentrale-arrest; DVL)
opgemerkt dat een gebouw of werk duurzaam met de grond verenigd kan zijn, doordat het naar aard en inrichting bestemd is duurzaam ter plaatse te blijven. Deze opmerking is ook voor het onderhavige artikel van belang. Aldus is tevens een nader antwoord gegeven op de vraag die bij het mondeling overleg over dit artikel is gesteld.”
in de regeleen roerende zaak zal zijn het Hof niet behoefde de weerhouden van zijn beslissing dat de litigieuze portacabin in de gegeven omstandigheden was bestemd om naar aard en inrichting duurzaam ter plaatse te blijven.