Conclusie
het eerste onderdeel van het eerste cassatiemiddelgericht, houdende primair de klacht, dat het Hof aan zijn beslissing een feitelijke omstandigheid ten grondslag heeft gelegd, die door geen der partijen in het geding was aangevoerd, en aldus is getreden buiten de grenzen van de rechtsstrijd, zoals die door partijen in het proces waren bepaald.
het incidentele middel van cassatienu wordt gesteld, dat het geen conditio sine qua non is voor ‘’een gebouw’’ (in de zin van art. 1405 B.W.) dat het desbetreffend werk met de grond verbonden is. Ik meen, dat deze stelling niet kan worden aanvaard. Wat er ook zij van de grondslag der aansprakelijkheid van de eigenaar van een gebouw ingevolge art. 1405 B.W. (waaromtrent veel divergerende meningen bestaan; zie: Asser-Rutten t.a.p. en de A.G. ten Kate in zijn conclusie voorafgaande aan HR. 21 juni 1974 NJ. 1975,17) is het communis opinio, dat gemeld artikel uitsluitend betrekking heeft op met de grond verenigde of met de grond verbonden als onroerend aan te merken gebouwen (art. 6.3.12.4 van het ontwerp B.W. en ten Kate t.a.p.).
het vierde onderdeelvan het eerste middel wordt het Hof verweten, dat het zich niet heeft uitgelaten over de stelling van de Stad Rotterdam, dat de tank daarom niet als een gebouw in de zin van art. 1405 B.W. viel aan te merken, omdat hij niet onroerend was.
als gevolg van de instorting(cursivering door onderget.) van de tank de olie met kracht is weggevloeid, waardoor schade aan derden werd veroorzaakt.’’ Het Hof heeft niets beslist met betrekking tot de omstandigheid dat de inhoud van het gebouw
na de instorting daarvaneen vrijheid van beweging heeft gekregen, die tot schade aanleiding kan geven.