ECLI:NL:PHR:1996:AA1709
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling fiscale aftrekbaarheid autokosten privéauto voor onderneming 1990
De belanghebbende exploiteert een onderneming en bezit twee personenauto's in het ondernemingsvermogen en één privéauto die ook voor zakelijke doeleinden wordt gebruikt. De catalogusprijs van de privéauto bedraagt ƒ 49.045,- en de autokosten in 1990 waren ƒ 9.472,-. De belanghebbende bracht een vergoeding per kilometer ten laste van de winst, maar de fiscale aftrekbaarheid van deze kosten was in geschil.
De zaak betreft de uitleg en toepassing van artikel 42 en Pro artikel 8b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, die regels bevatten over de aftrek van autokosten en de beperking daarvan bij gemengd privé- en zakelijk gebruik. De Hoge Raad bespreekt de wetsgeschiedenis, memorie van toelichting en eerdere jurisprudentie en concludeert dat ten minste 20% van de catalogusprijs van de auto als privé-uitgaven moet worden aangemerkt en dat niet meer dan de resterende autokosten als ondernemingskosten kunnen worden afgetrokken.
De Hoge Raad constateert dat het hof niet heeft vastgesteld hoeveel kilometers in totaal met de auto zijn gereden, waardoor het niet mogelijk is om de aftrek juist te berekenen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing. Deze uitspraak verduidelijkt de systematiek van de autokostenfictie en de aftrekbeperking bij gemengd gebruik van een privéauto voor zakelijke doeleinden.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling en beslissing.