ECLI:NL:HR:1998:AA2477
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrek reiskosten eigen rijder in inkomstenbelasting 1991
Belanghebbende, een eigen rijder die een transportbedrijf in vennootschap onder firma drijft, bracht in 1991 reiskosten ten bedrage van ƒ 10.084,- ten laste van zijn winst. De Inspecteur stelde dat voordat 75% van deze kosten aftrekbaar is, het bedrag moet worden verminderd met een privé-besparing van ƒ 1.000,-. Belanghebbende betoogde dat de kosten volledig zakelijk waren en dat het privé-element al in de aftrekbeperking was verwerkt, zodat dubbele verrekening van het privé-element plaatsvond.
Het Hof bevestigde het standpunt van de Inspecteur en oordeelde dat het bestaande onderscheid tussen kosten en onttrekkingen blijft gelden naast de aftrekbeperkingen van artikel 8a en 8b van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. De 25%-aftrekbeperking is geen forfaitaire vaststelling van privégebruik, maar een aanvullende beperking op gemengde kosten die reeds als kosten zijn aangenomen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van belanghebbende en bevestigde dat eerst de privé-besparing moet worden geëlimineerd alvorens de aftrekbeperking toe te passen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde, omdat werknemers en ondernemers niet in gelijke omstandigheden verkeren. De Hoge Raad oordeelde dat de dubbele rekening van het privé-element door de wetgever bewust is gewild en dat het Hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld over de feiten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt verworpen; de privé-besparing moet eerst worden geëlimineerd voordat de aftrekbeperking van 25% wordt toegepast.