ECLI:NL:PHR:1999:AA2803
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de toepassing van het autokostenforfait bij doorbelasting van autokosten door ondernemer
De zaak betreft een cassatieberoep van een ondernemer tegen een uitspraak van het Hof Arnhem over de fiscale behandeling van autokosten in het jaar 1991. De ondernemer verricht advieswerkzaamheden en rekent een groot deel van zijn autokosten door aan zijn opdrachtgever. Het geschil draait om de vraag of het verschil tussen de totale autokosten en het doorberekende deel als privégebruik moet worden aangemerkt en bij het belastbare inkomen moet worden geteld.
Het Hof oordeelde dat het autokostenforfait van artikel 42, tweede lid, Wet IB 1964 van toepassing is op de totale autokosten, ongeacht de wijze van doorbelasting aan opdrachtgevers. De ondernemer stelde dat de aftrekbeperking beperkt moet worden tot het saldo na doorbelasting, maar dit verweer werd verworpen. Het Hof achtte de wetsgeschiedenis en tekst niet in overeenstemming met een dergelijke beperking.
De conclusie van de Procureur-Generaal bevestigt dat de regeling van het autokostenforfait bedoeld is om op een eenvoudige wijze het privégebruik te forfaiteren en dat doorbelasting niet leidt tot een vermindering van het forfait. De doorbelasting kan immers niet exact de werkelijke kosten weerspiegelen en het forfait blijft het maximum van de bijtelling. De middelen van cassatie worden ongegrond verklaard en het beroep verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het autokostenforfait is van toepassing op de totale autokosten ongeacht doorbelasting.