Conclusie
Zitting 25 oktober 1996
Conclusie inzake
Dan zegt de [verweerster] bij brief van 27 mei 1992 de huurovereenkomst met Konmar op (tegen 1 juli 1993), op de grond dat zij, althans de met haar te vereenzelvigen vennootschappen [C] B.V. c.q. [B] N.V., het verhuurde in gebruik wil nemen als bedrijfsruimte en dat zij het verhuurde daartoe dringend nodig heeft. Konmar stemt niet met de beeindiging in. De [verweerster] ziet zich derhalve genoodzaakt op de voet van art. 7A:1631 lid 3 juncto 1627a BW te vorderen dat de Kantonrechter het tijdstip zal vaststellen waarop de overeenkomst zal eindigen, een vordering die op de voet van art. 7A: 1631a lid 2 aanhef en onder 2 BW moet worden toegewezen ingeval inderdaad sprake is van het dringend nodig hebben voor eigen gebruik. De inleidende dagvaarding dateert van 26 november 1992.
Het enkele feit dat de juridische eigendom van de winkelruimte (..) is overgedragen aan [A] B.V. verandert in casu niets aan het bestaande verhuurderschap van de [verweerster] . Tenslotte blijkt uit de overdrachtsakte van 4 februari 1992 niet dat een dergelijke wijziging van het verhuurderschap van de [verweerster] is beoogd. Hiermee is eveneens verworpen de stelling van Konmar dat de [verweerster] moet worden aangemerkt als rechtsopvolger van de verhuurder voor wie ingevolge artikel 7A: 1631 lid 2 sub b EM bij de door de [verweerster] gebezigde opzeggingsgrond een wachttijd van drie jaar geldt. De opzegging van de [verweerster] is dan ook niet nietig, zoals door Konmar in dit verband betoogd."
Voor de beoordeling van de vraag of sprake zou kunnen zijn van dringend
De Rechtbank verwijst de zaak naar de rol onder aanhouding van iedere verdere beslissing.
De ondergetekende is evenwel van oordeel, dat de zojuist besproken opzeggingsmogelijkheid met het oog op eigen gebruik door de verhuurder in een opzicht moet worden beperkt. Wanneer de opzegging namelijk geschiedt door de verhuurder, die nog slechts sinds korte tijd eigenaar is, wordt de huurder voor een nieuwe situatie geplaatst, waarmede hij geen rekening heeft kunnen houden. De huurder zou dan op korte termijn genoodzaakt kunnen worden het pand te verlaten. De ondergetekende acht het daarom gerechtvaardigd, dat een nieuwe verhuurder de beëindiging van de huur pas zal kunnen bewerkstelligen nadat hij een zekere tijd verhuurder is geweest. Deze tijd is in het ontwerp op drie jaren gesteld."
Om te voorkomen dat de huurder van bedrijfsruimte door de overdracht van het gehuurde plotseling wordt geconfronteerd met een opzegging waarmee hij geen rekening behoefde te houden, is in de artt. 7A:1627 lid 2 onder b en 1631 lid 2 onder b bepaald dat de opzegging met het oog op eigen gebruik "door een verhuurder die rechtsopvolger van een vorige verhuurder is" nietig is indien deze opzegging geschiedt binnen drie jaren nadat de rechtsopvolging schriftelijk ter kennis van de huurder is gebracht; een uitzondering is gemaakt voor de rechtsopvolger die echtgenoot, naaste bloed- of aanverwant of pleegkind is aangezien immers de huur reeds voor de rechtsopvolging met het oog op het eigen gebruik van deze personen kon worden opgezegd. Zie over deze bepaling Asser-Abas, 1990, nrs. 249 en 272 en Smit, Huurrecht bedrijfsruimten, 1993, p. 88/89, 117 en 136/137.
Bij deze regeling is kennelijk ervan uitgegaan - dat blijkt ook uit de hiervoor geciteerde passage uit de wetsgeschiedenis - dat de eigenaar zelf verhuurder is zodat bij overdracht van het verhuurde de nieuwe eigenaar ook de nieuwe verhuurder zal zijn. De regeling is niet toegesneden op het geval dat het verhuurderschap - zoals in casu - is ondergebracht in een aparte B.V. zodat de juridische eigendom kan worden overgedragen terwijl het verhuurderschap in handen blijft van dezelfde B.V. al worden de aandelen van deze B.V. - in verband met de overdracht van de eigendom - wel overgedragen aan een B.V. die nauwe banden heeft met de nieuwe eigenaar.
In de lagere rechtspraak wordt verschillend geoordeeld over de vraag of in het kader van de artt. 7A: 1628 en 1631a BW "vereenzelviging" is geïndiceerd in dier voege dat in het kader van de beoordeling van de vraag of sprake is van opzegging met het oog op eigen gebruik vereenzelviging plaatsvindt van de rechtspersoon en de bij die rechtspersoon betrokken andere rechtspersonen (moeders en/of dochters) dan wel de bij die rechtspersoon betrokken natuurlijke personen (enig aandeelhouders/directeuren). Zie voor een overzicht Asser. Abas, a.w., nr. 280 en Smit, a.w., p. 93-94. Zie ook Th.J. van der Heijden, "Verschillende oordelen over persoonlijk duurzaam gebruik, bedoeld in art. 1628 lid 1 BW Pro", Praktijkgids, 1981, p. 563 e.v.
Zoals gezegd prevaleert het belang van de verhuurder bij eigen gebruik zonder meer boven dat van de huurder bij voortzetting van de huur. Juist daarom lijkt terughoudendheid met betrekking tot het aanvaarden van vereenzelviging op zijn plaats. Moeilijk te beantwoorden is de vraag wanneer vereenzelviging wel gerechtvaardigd is; daarvoor lijkt in ieder geval vereist een zodanige reële band tussen de betrokkenen dat het eigen gebruik van de (rechts)persoon waarmee wordt vereenzelvigd ook als een belang van de opzeggende verhuurder zelf kan worden beschouwd. Vergelijk in dit verband Uw beschikkingen van 9 december 1983, NJ 1984, 307, m.nt. PAS en van 20 december 1985, NJ 1986, 261, m.nt. PAS. Het lijkt mij in ieder geval niet juist om - zoals de Rechtbank deed - ervan uit te gaan dat de vennootschap/verhuurder in het kader van de vraag of sprake is van eigen gebruik kan worden vereenzelvigd met haar moedervennootschap op de enkele grond dat deze moeder 100 % van de aandelen in de verhurende vennootschap heeft verworven onverschillig de inhoud van de statutaire doelomschrijving van de dochter.
Daarbij komt dan nog het volgende. Vereenzelviging is - zoals gezegd - aangewezen in gevallen waarin het onverkort vasthouden aan de afzonderlijke identiteit van de rechtspersoon het bereiken van een billijk resultaat verhindert. Vereenzelviging zal niet ertoe mogen leiden dat uiteindelijk een onbillijk resultaat wordt bereikt. Daarvan is sprake ingeval de vereenzelviging tot gevolg heeft dat in een geval als het onderhavige - dat wil zeggen bij een splitsing van de juridische en de economische eigendom - de door art. 7A:1631 lid 2 sub b voorgeschreven wachttijd van drie jaar wordt omzeild, een gevolg dat althans naar het oordeel van de Rechtbank aan vereenzelviging was verbonden. Ook deze omstandigheid had de Rechtbank naar mijn oordeel ervan moeten weerhouden in casu vereenzelviging te aanvaarden. Vergelijk in dit verband de beschikking van de Rechtbank Arnhem van 12 juli 1990, Praktijkgids 1990, nr. 3333. In zoverre slaagt ook middelonderdeel 4.
Hoge Raad der Nederlanden