Conclusie
tweedemiddel betreft de weerlegging van het beroep op de nietigheid van de dagvaarding. In hoger beroep is aangevoerd dat in de dagvaarding aangegeven had moeten worden ‘’op welke vergunning krachtens welke wettelijke voorschriften’’ de telastelegging doelt. Het hof heeft het verweer als volgt verworpen:
stortenvan
verontreinigdebaggerspecie in een
oppervlaktewater, is ’s hofs oordeel dat de telastelegging doelt op een vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren geenszins onbegrijpelijk. Het hof heeft het verweer weerlegd op gronden die deze beslissing kunnen dragen zonder blijk te geven van miskenning van de eisen die art. 261 Sv Pro aan de dagvaarding stelt. Het middel is ondeugdelijk en leent zich voor afdoening op de wijze als voorzien in art. 101a RO.
door hemgepleegd delict, voor de strafrechter ter verantwoording wordt geroepen.’’
a contrario-argumentatie te concluderen dat de opdrachtgever of feitelijke leidinggever
alleenop grond van eigen daderschap zou kunnen worden vervolgd en gestraft. Niettemin zal die conclusie wel overeenkomen met de wil van de wetgever. Waar de wetgever van oordeel was dat de strafrechter in een geval als het hier bedoelde niet zou moeten treden in de beoordeling van de wijze waarop publiekrechtelijke rechtspersonen hun bestuurlijke taken vervullen, zal hij eveneens van oordeel zijn geweest dat dat
ook nietlangs indirecte weg (via beoordeling van gedragingen van de betrokken functionarissen) behoort te geschieden’’.
door hemgepleegd delict, vervolgd zou kunnen worden. De enige restrictie zou in dit laatste geval naar mijn mening moeten zijn dat het feit is of wordt gedekt door de (onvervolgbare) rechtspersoon. Als het publiekrechtelijke lichaam de verantwoordelijkheid voor het delict op zich neemt, is de gedraging immers evenzeer onderhevig aan 'staats- en administratiefrechtelijke repressie' (Torringa). Die toetsing behoort niet door de strafrechter doorkruist of overgedaan te worden, ook niet langs de indirecte weg — of die nu het spoor volgt van art. 51 dan Pro wel art. 47 Sr Pro — van de beoordeling van het handelen van de opdrachtgever of feitelijke leidinggever.
derdemiddel. Voor zover daarin wordt geklaagd over de toereikendheid van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen faalt het aangezien het hof het vonnis heeft vernietigd en vervolgens tot een nieuwe bewezenverklaring is gekomen welke is voorzien van een zelfstandige bewijsvoering.