Conclusie
Derde Kamer A
Parket, 12 januari 1995
Parket bij de Hoge Raad
Deze zaak betreft de fiscale behandeling van verliezen binnen een fiscale eenheid tussen een moeder- en dochtervennootschap volgens de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De kernvraag is of verliezen door waardedaling van een vordering van de moedervennootschap op de dochtervennootschap fiscaal aftrekbaar zijn.
De Hoge Raad overweegt dat de fiscale eenheid leidt tot een fictieve fusie waarbij de dochtermaatschappij fiscaal wordt 'weggedacht' en haar winsten en verliezen rechtstreeks aan de moedermaatschappij worden toegerekend. Dit betekent dat de dochter geen zelfstandige belastingplicht meer heeft voor de betreffende periode.
Echter, verliezen die voortvloeien uit waardevermindering van een vordering van de moeder op de dochter kunnen niet als verlies van de fiscale eenheid worden aangemerkt en dus niet ten laste van de winst worden gebracht. De Hoge Raad bevestigt hiermee de beperking van de fiscale eenheid tot het samenvoegen van winsten en verliezen uit de bedrijfsuitoefening, niet tot waardeveranderingen van vorderingen.
De uitspraak verduidelijkt de reikwijdte van artikel 15 Wet Pro Vpb 1969 en de voorwaarden waaronder fiscale eenheid bestaat, waarbij de civielrechtelijke zelfstandigheid van dochtervennootschappen blijft bestaan ondanks de fiscale consolidatie.
Uitkomst: Verlies door waardedaling van een vordering van de moedervennootschap op de dochtervennootschap kan niet ten laste van de winst worden gebracht binnen de fiscale eenheid.