ECLI:NL:HR:1995:AA1663

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 september 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30244
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • De Moor
  • C.H.M. Jansen
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 20 lid 3 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
2 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verliesverrekening binnen fiscale eenheid bij verkoop vordering aan derde niet toegestaan

Belanghebbende, een besloten vennootschap, vormde sinds haar oprichting in 1985 een fiscale eenheid met een dochtervennootschap die verliesgevend was. Over de jaren 1985 tot en met 1988 ontstond een vordering van belanghebbende op de dochtervennootschap ter waarde van ƒ 403.191,-, waarvan de werkelijke waarde nihil was. In juni 1988 verkocht belanghebbende deze vordering voor ƒ 403,-- aan een derde.

Belanghebbende vorderde dat het verlies op deze vordering van ƒ 402.788,-- in aanmerking werd genomen bij de verliesverrekening over 1988. De Inspecteur en het Hof wezen dit af op grond van artikel 15 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, dat bepaalt dat binnen een fiscale eenheid onderlinge vorderingen en schulden geacht worden niet te bestaan.

De Hoge Raad bevestigde dat een verlies door waardedaling van een vordering binnen de fiscale eenheid niet kan worden afgetrokken, ook niet indien de vordering aan een derde wordt overgedragen. Dit zou in strijd zijn met het stelsel van fiscale eenheid, waarbij de dochtervennootschap wordt geacht te zijn opgegaan in de moedervennootschap. Het beroep van belanghebbende werd verworpen.

De Hoge Raad bepaalde tevens dat de proceskosten niet aan belanghebbende worden opgelegd en bepaalde de terugbetaling van het gestorte bedrag voor de vervanging van de mondelinge uitspraak door het Hof.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat het verlies op de vordering binnen de fiscale eenheid niet ten laste van de winst kan worden gebracht, ook niet bij overdracht aan een derde.

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlandenderde kamer
nr. 30.244
6 september 1995
TB
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[X] B.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Arnhemvan 30 maart 1994 betreffende de beschikking van het Hoofd van de Belastingdienst/Ondernemingen [P] (hierna: de Inspecteur) tot vaststelling van het bedrag van het op de voet van artikel 20, lid 3, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 te verrekenen verlies over het jaar 1988.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Bij vorenvermelde beschikking is het verlies van belanghebbende over het jaar 1988 vastgesteld op ƒ 24.568,--. Deze beschikking is op het daartegen gemaakte bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat die uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 12 januari 1995 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel van cassatie
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
Belanghebbende is opgericht in 1985; zij vormde sinds haar oprichting op de voet van artikel 15 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) een fiscale eenheid met een dochtervennootschap, thans genaamd [A] B.V.; deze vennootschap was verliesgevend. In de jaren 1985 tot en met 1988 was een vordering van belanghebbende op de dochtervennootschap ontstaan ten bedrage van ƒ 403.191,- -; de werkelijke waarde van deze vordering was nihil. In juni 1988 heeft belanghebbende deze vordering voor ƒ 403,-- verkocht aan een derde.
3.2. Belanghebbende heeft zich voor het Hof op het standpunt gesteld dat in het verlies over 1988 een verlies op de vordering ten bedrage van ƒ 402.788,-- dient te worden begrepen. De Inspecteur heeft zich, overeenkomstig hetgeen hij in de uitspraak op het bezwaarschrift had beslist, op het standpunt gesteld dat te dezer zake geen verlies in aanmerking kan worden genomen.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht bij de vaststelling van het onderwerpelijke aanloopverlies het door belanghebbende op de verkoop van de vordering berekende verlies buiten aanmerking heeft gelaten, aangezien het verlies is geleden tijdens het bestaan van de fiscale eenheid en het in aanmerking nemen van zodanig verlies in strijd is met de regel dat de belasting wordt geheven alsof de dochtervennootschap in de moedervennootschap is opgegaan .
3.4. Het middel strekt, kort weergegeven, ten betoge: dat de toepassing van artikel 15 van Pro de Wet meebrengt dat onderlinge vorderingen en schulden van de betrokken vennootschappen geacht worden niet meer te bestaan; dat zodanige vorderingen en schulden herleven indien de fiscale eenheid wordt verbroken; dat de zogenoemde standaardvoorwaarden voor dat geval regels geven; dat de schuld eveneens herleeft indien de vordering wordt overgedragen aan een derde; dat de Wet noch de standaardvoorwaarden voor dat geval regels inhouden; dat op grond van de algemene wettelijke bepalingen het verlies dat door een, tot een fiscale eenheid behorende, vennootschap wordt geleden bij de verkoop van een vordering tegen een prijs onder de nominale waarde ten laste van de winst komt; dat artikel 15 noch Pro enige andere wettelijke bepaling zich in een geval als het onderhavige tegen deze aftrek verzet; dat ter voorkoming van oneigenlijk gebruik van artikel 15 in Pro deze bepaling de mogelijkheid is gegeven tot het stellen van voorwaarden; dat afwijking van de algemene, grof werkende, regel van artikel 15 alleen Pro mogelijk is indien te dier zake expliciet een voorwaarde is gesteld; dat de koop door een vennootschap die tot een fiscale eenheid behoort van een vordering op een andere tot die eenheid behorende vennootschap voor een prijs beneden de nominale waarde leidt tot winst van de fiscale eenheid; dat dit een bevestiging vormt van de door het middel verdedigde opvatting.
3.5. De toepassing van artikel 15 van Pro de Wet houdt in dat de dochtervennootschap wordt geacht te zijn opgegaan in de moedervennootschap, hetgeen meebrengt dat onderlinge vorderingen en schulden van de vennootschappen geacht worden niet meer aanwezig te zijn. Een verlies dat een der vennootschappen lijdt door de daling van de waarde van een vordering op de andere vennootschap, kan dan ook bij de bepaling van de winst van de verenigde vennootschappen niet tot uitdrukking komen. Het is met dit stelsel niet verenigbaar, een zodanig verlies alsnog in aanmerking te nemen, indien de vordering wordt overgedragen aan een derde, en dientengevolge de desbetreffende schuld voor de berekening van de fiscale winst op de balans van de verenigde vennootschappen alsnog tot uitdrukking dient te worden gebracht. Een daaruit voortvloeiende vermindering van het vermogen kan daarom niet ten laste van de winst worden gebracht. Derhalve kan het middel niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150,--.
Dit arrest is op 6 september 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, De Moor, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.