Conclusie
ernstigeschending van beginselen van een goede procesorde; vgl. HR NJ 1995, 29 nt Kn; HR DD 95.347 en HR 27 juni 1995 nr. 101.227 (=DD 95.428).
flagranteinbreuk op het EVRM (vgl. HR NJ 1985, 892, NJ 1990, 84 en NJ 1991, 467 ).
ernstigeschending van beginselen van een goede procesorde (vgl. HR NJ 1981, 643 inzake het optreden van een undercover agent). Iets daarvan valt trouwens in 's hofs arrest (blz. 8) te proeven. Bovendien heeft de verdediging ook niet aangegeven welk van die beginselen geschonden zou zijn (vgl. HR NJ 1994, 538 ).
ernstigeinbreuk op fundamentele rechtsbeginselen. Uit de bespreking der middelen zal blijken dat in mijn visie aan die voorwaarde in casu bij geen der gehanteerde onderzoeksmethoden is voldaan. Alvorens daaraan toe te komen, moeten de middelen I en II tegen het licht worden gehouden.
eerstemiddel keert zich tegen 's hofs afwijzing ter terechtzitting van 23 december 1994 van het verzoek tot het horen van de zaaksofficier (de officier van justitie die de zaak in eerste aanleg heeft behandeld). De stellers van het middel erkennen dat het hof bij deze beslissing de juiste maatstaf heeft gehanteerd, maar zij betwisten de begrijpelijkheid van de beslissing.
visie van het OMdaarop is. Dat het hof deze vragen heeft opgevat als vragen naar de juridische opvattingen van de officier van justitie over de geoorloofdheid van een en ander is bepaald niet onbegrijpelijk. Voor zover het middel hierover klaagt is het tevergeefs voorgesteld.
tweedemiddel strekt ten betoge dat het hof blijk had moeten geven van een onderzoek naar de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde (deelneming aan een criminele organisatie in Marokko, België en Groot-Brittannië).
derdemiddel betreft de belangrijke vraag of de politie gerechtigd is een zgn. pro-actief onderzoek in te stellen en zo ja, welke grenzen zij daarbij in acht dient te nemen. Ik stel voorop dat het hier gaat om een veelomvattende en bovendien zeer gecompliceerde materie die zich slecht leent voor het doen van algemene uitspraken. Ik beperk mij dan ook tot datgene wat dienaangaande ter zitting van het hof is aangevoerd en wat door het hof met het oog op de beslissing in deze zaak is overwogen. Al hetgeen het hof heeft overwogen doch niet rechtstreeks van belang is voor de uitkomst van de zaak, laat ik dus onbesproken.
opsporendeactiviteiten’’ specifiek gericht heeft op het eigenlijke doel van het onderzoek, namelijk of er door personen, onder wie verdachte, in het verband van de organisatie Opiumwetmisdrijven werden begaan, welk 'onderzoek' zodanige aanwijzingen opleverde dat diverse personen zich in georganiseerd verband bezig hielden met (grootschalige) invoer en handel van hasj, dat de zaaksofficier gefaseerd diverse vorderingen tot het openen van een gerechtelijk vooronderzoek heeft gedaan, waaronder de vordering d.d. 16 december 1993 tegen verzoeker terzake van o.a. art. 140 Sr Pro,
opsporendonderzoek’’ overgaat in de actieve fase
feitelijkjuist kan worden aanvaard, omdat niet aannemelijk is geworden dat zij
uitsluitendhebben plaatsgevonden in de pro-actieve fase van het onderzoek.
ernstigeinbreuk kunnen vormen op de privacy, onderworpen dient te worden aan voorafgaande (rechterlijke) toetsing.
rechtenheeft, zonder dat de regering hem de uitoefening van die rechten kan ontnemen, en blz. 98 waar gesproken wordt over de ambtenaar van het OM die op grond van de voorgestelde bepaling de
bevoegdheidheeft de zaak tot klaarheid te brengen.
formelewetgever de bevoegdheid daartoe niet in het leven heeft geroepen. Zie over de (soms te) weinig terughoudende benadering van het begrip persoonlijke levenssfeer ook Van der Pot-Donner, Handboek van het Nederlandse staatsrecht, 13e druk, blz. 294.
ernstigeschending van beginselen van een goede procesorde, zodat het niet kan leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM deswege.
vierdemiddel richt zich tegen het oordeel van het hof ter verwerping van verweer nr. 4 (de in casu uitgevoerde inkijkoperaties zouden onrechtmatig zijn), doch alleen voor zover het hof het heeft over het binnentreden in loodsen. Aan dat oordeel heeft het hof de opvatting ten grondslag gelegd dat (zeer beknopt weergegeven) de bevoegdheid tot het verrichten van bedoelde inkijkoperaties steunt op art. 9 lid 1 aanhef Pro en onder b van de Opiumwet. Over de overige door het hof niet onrechtmatig bevonden inkijkoperaties beklaagt het middel zich niet.
onderzoekte geven. Die passage laat zich niet anders verstaan dan dat de politie bevoegd is binnen te treden teneinde ter plaatse al datgene te doen wat voor de vervulling van haar taak redelijkerwijs nodig is, zolang zij daarbij geen activiteiten onderneemt waartoe zij op grond van andere wettelijke bepalingen niet bevoegd is, bijv. het doen van huiszoeking of het uitvoeren van een schouw. Ook de Hoge Raad heeft mijns inziens door in genoemd arrest te refereren aan art. 9 aangegeven Pro dat de daarin omschreven bevoegdheid kan dienen als rechtsgrond voor een dergelijke operatie.
vijfdemiddel — in de cassatieschriftuur abusievelijk aangeduid als middel VI — houdt in dat het hof het onderzoek naar de inhoud van huisvuilzakken ten onrechte dan wel ontoereikend gemotiveerd toelaatbaar heeft geoordeeld.
ernstigeschending van genoemde beginselen op, ook niet indien de oorspronkelijke eigenaar nog als rechthebbende in civielrechtelijke zin zou moeten worden aangemerkt en/of er gemeentelijke regels zouden bestaan ten aanzien van de inzameling etc. van huisvuil. Want terecht heeft het hof geoordeeld dat de eigenaar die zich van vuilniszakken met inhoud ontdoet, daarover niet langer controle heeft of wenst te hebben, en dat hij daarom rekening heeft te houden met de mogelijkheid dat die zakken met inhoud, om welke reden dan ook, een andere bestemming krijgen dan is beoogd, en voorts dat hij niet de rechtens te honoreren verwachting mag koesteren dat hem desondanks enige bescherming met betrekking tot de inhoud zou toekomen. Wie zich ervan verzekerd wil weten dat derden geen kennis zullen nemen van geheime stukken, schaffe een papiervernietiger aan of een allesbrander, zoals iedereen weet die de regelmatig opduikende krantenberichten leest over het aantreffen van persoonsgebonden dossiers etc. op de straat of op de vuilnisbelt.
zesdemiddel bevat in de toelichting sub 2.1–2.2 allereerst het verwijt dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer (nr. 4) dat door het stelselmatig beluisteren en opnemen van autotelefoongesprekken inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in art. 8 EVRM Pro, zodat hetzij het arrest deswege aan nietigheid lijdt hetzij het er in cassatie voor moet worden gehouden dat inderdaad inbreuk is gemaakt op verzoekers persoonlijke levenssfeer.
zevendemiddel klaagt over 's hofs oordeel dat hoofdinspecteur [verbalisant] genoegzaam inzicht heeft verschaft in de gebruikte onderzoeksmethoden. Blijkens de toelichting ziet het middel daarbij op het in arrest als nr. 5 weergegeven verweer. Dit verweer houdt in:
achtstemiddel betreft 's hofs ambtshalve uitgesproken oordeel (arrest, blz. 16) dat het observeren, het maken van foto's, het gebruik van peilzenders, het maken van video-opnamen, het runnen van informanten en het gebruik van mobiele scanners, niet in strijd met het recht is geschied, ook niet in de pro-actieve fase.
negendemiddel richt zich tegen 's hofs oordeel dat in casu op toelaatbare wijze is voldaan aan het voorschrift van art. 152 Sv Pro. Het ter terechtzitting gevoerde verweer (nr. 9) houdt in:
ernstigeschending van beginselen van een goede procesorde. In het oordeel van het hof ligt besloten dat onder de vastgestelde omstandigheden niet aan die voorwaarde is voldaan. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Het geeft ook geen miskenning van het geldende recht. Overigens bepaalt art. 152 Sv Pro slechts dat ‘’ten spoedigste’’ proces-verbaal moet worden opgemaakt zonder een eindtermijn te noemen. Het enkele feit dat de hoofdinspecteur [verbalisant] eerst in een zeer laat stadium een proces-verbaal heeft opgemaakt waarin is gerelateerd wat de opsporingsambtenaren tijdens het onderzoek hebben verricht en bevonden, levert dus niet zonder meer schending van dit voorschrift op; vgl. ook HR NJ 1983, 368 alsmede Franken, T&C Sv, aant. 2 bij art. 152.
bedoelingbepaalde activiteiten aan rechterlijke controle te onttrekken. Dat de politie de kwade kans dat de rechter onwetend zou blijven, op de koop toe heeft genomen, moge wellicht juist zijn, doch feitelijk staat vast dat die kans (uiteindelijk) geen werkelijkheid is geworden. De inspanningen van de verdediging hadden immers tot resultaat dat er (in de termen van het middel: toelichting sub 2.9) ‘’rechtsstatelijke openheid van zaken’’ is gecreëerd. Aangezien in cassatie alleen de uitkomst van het geding telt — het appel is er imers ook voor om eventuele fouten in het vooronderzoek of de eerste aanleg te herstellen, aan welke zijde ze ook gemaakt zijn — kan worden voorbijgegaan aan alle speculaties omtrent de uitslag als dit niet of dat niet gebeurd zou zijn.
medeaan de hand van het daarvan ex art. 152 Sv Pro opgemaakte proces-verbaal
en/of anderszins (bijv. door het (doen) horen van de betreffende opsporingsambtenaren)— zij daartoe bevoegd waren. De uitleg van de stellers van het middel is ook daarom onaannemelijk omdat de zaak voor een nieuwe behandeling werd verwezen, hetgeen zinloos geweest zou zijn, indien het verweer slechts weerlegd had kunnen worden aan de hand van een proces-verbaal in de zin van art. 152 Sv Pro; zo'n proces-verbaal was er in het berechte geval immers niet. Gewezen kan ook nog worden op HR NJ 1950, 668 nt WP waaruit kan worden afgeleid dat de verplichting om proces-verbaal op te maken, mede bepaald wordt door het antwoord op de vraag of daartoe ‘’naar de normale loop van zaken ingevolge de krachtens opdracht gevolgde gedragslijn’’ aanleiding bestaat.