Conclusie
aanhangigeprocedure indien een van de partijen — in casu [A] op 21 januari 1993 gedurende het appel — in staat van faillissement wordt verklaard.
doorof
tegende schuldenaar/latere failliet een rechtsvordering is ingesteld (art. 23 resp Pro. 24 Fb; art. 27 resp Pro. 28 FW), en anderzijds procedures die de voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel hebben (art. 25 Fb Pro; art. 29 FW Pro). Eerstbedoelde procedures kunnen op verzoek van de wederpartij worden geschorst teneinde deze partij de gelegenheid te geven de curator in het geding te roepen (met allerlei annexe voorzieningen ten aanzien van de gevolgen voor de boedel indien de curator wel of niet in het geding verschijnt. Deze kunnen hier onbesproken blijven).
niet aanhangigis gemaakt — is dat de wetgever heeft willen uitsluiten dat dergelijke vorderingen op een andere wijze dan door aanmelding ter verificatie kunnen worden ingesteld en geldend gemaakt, ook tegen de gefailleerde. Zie o.m. de hierna te noemen conclusie van Ten Kate en Molengraaff-Star Busmann, De Faillissementswet, 1951, p. 185/6.
mogelijkeuitzondering in verband met het EEG-verdrag, de prejudiciële vraag 3 in HR 22 oktober 1993, NJ 1994, 94. Zie voorts voor een uitzondering met behulp van art. 107 RO Pro de twee beschikkingen van HR 15 januari 1993, NJ 1993, 594 met vervolg in HR 2 april 1993, NJ 1993, 595 (nt. HJS onder 596).
vernietiging moet worden gevraagd, hetgeen impliceert dat bij de hantering van deze rechtsmiddelen ook de normale drempels, grenzen en beperkingen in acht moeten worden genomen.
Onderdeel 2bestrijdt het oordeel van het hof dat [A] tijdig en op de juiste wijze in hoger beroep is gekomen. Het doet dit met het argument dat de akte van hoger beroep aan [eiseres] pas is betekend op 27 januari 1993, dit wil zeggen nadat [A] in staat van faillissement is verklaard, zonder dat van enige instemming van de zijde van de curator is gebleken. De klacht faalt, omdat ingevolge art. 270 NARv Pro het hoger beroep aanvangt met, kort gezegd, de akte van hoger beroep. Die is op 17 december 1992 ingediend en door de griffier in het desbetreffende register aangetekend. Derhalve was het hoger beroep reeds aanhangig op het moment dat [A] failliet werd verklaard. De in onderdeel 2 bestreden overweging van het hof, die alleen hierop betrekking heeft, is mitsdien juist.
Onderdeel 3heeft betrekking op de bewijswaardering. Het hof heeft op grond van het in de procedure aanwezig bewijsmateriaal aannemelijk geacht dat [eiseres] haar positie bij [A] heeft misbruikt. Die beslissing is niet onjuist, noch onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, ook niet met het oog op de ernst van het gedrag van [eiseres] , waarbij ik aanteken dat in deze procedure niet de strafrechtelijke, maar alleen de civielrechtelijke aspecten van dit gedrag aan de orde zijn. Het hof zou [eiseres] met het bewijs van het tegendeel hebben kunnen belasten, maar heeft hiertoe na afweging — in cassatie onbestreden — geen aanleiding gezien.
Onderdeel 4twijfelt aan de rechtskracht van het bestreden vonnis omdat het slechts één onleesbare handtekening bevat, dit temeer — aldus het onderdeel — nu het is uitgesproken in aanwezigheid van slechts één van de rechters die vonnis gewezen hebben. Ook deze klacht faalt. Het vonnis komt tot stand door de mondelinge uitspraak. De voorschriften omtrent het brengen op het audiëntieblad en de ondertekening hebben betrekking op de schriftelijke vastlegging van het door de mondelinge uitspraak tot stand gekomen vonnis. Ze raken de geldigheid ervan niet (HR 2 november 1990, NJ 1991, 800 jo HR 11 november 1977, NJ 1978, 503). Het vonnis wordt uitgesproken door de president van het college of de kamer die het gewezen heeft, maar niet-nakoming van dit voorschrift — zo hiervan in het onderhavige geval al sprake is — heeft geen nietigheid tot gevolg (HR 25 november 1932, NJ 1933, 514; HR 17 februari 1961, NJ 1961, 178 met verdere gegevens in de conclusie van A-G Eijssen). Niet nodig is dat dezelfde rechters die het vonnis gewezen hebben, alle bij de uitspraak aanwezig zijn. Zie voor een en ander art. 65, 45 en 46 jo 283 NARv, die materieel overeenstemmen met de Nederlandse art. 59-61 Rv en art. 49 Regl Pro. I, en met name de genoemde conclusie voor HR 17 februari 1961, NJ 1961, 178 van A-G Eijssen.
Onderdeel 5bevat geen klacht.