Conclusie
acht ik derhalve gegrond. Bij gegrondbevinding hiervan doet het er niet meer toe of ook
terecht is voorgesteld: het mist naast onderdeel 3 zelfstandig belang. Overigens meen ik, gelet op de geciteerde toelichting bij de grieven 2 en 3, dat de weergave door het hof van de beslissing van de rechtbank op dit punt bijna dezelfde is als waarvan [eiser] in zijn appel uitgaat. Dat rechtvaardigt niet de conclusie van onbegrijpelijkheid. Anderzijds is het hof niet echt consistent: r.o. 4 houdt iets anders in dan r.o. 8. In verbinding met r.o. 4 ben ik geneigd te denken dat het hof in r.o. 2 de beslissing van de rechtbank verkeerd begrepen heeft, maar in verbinding met r.o. 8 lijkt r.o. 2 mij weer alleszins verdedigbaar.
allekosten van rechtsbijstand en niet alleen van die welke gemaakt zijn in de klaagschriftprocedure, zoals het hof z.i. aanneemt (r.o. 3, 13 en 14). De klacht mist feitelijke grondslag, èn in zoverre dat het hof in r.o. 3 het bedrag van ƒ. 3.324,86 heeft genoemd, welk bedrag
allekosten omvat die [eiser] vergoed wilde krijgen, èn ook voor het overige. De door [eiser] opgevoerde kosten — gespecificeerd in een bij repliek overgelegde declaratie van zijn raadsman, waaruit blijkt op welke werkzaamheden ze (o.m.) betrekking hebben —, vloeien voort uit de pogingen van zijn raadsman de woonwagen bij [eiser] terug te doen bezorgen, uiteindelijk resulterend in een klaagschriftprocedure. Zo heeft de rechtbank in r.o. 4.1 overwogen en zo heeft [eiser] het ook zelf geformuleerd in zijn toelichting op grief 2 en 3. Het hof bedoelt niets anders.
falen mitsdien.
bestrijdt r.o. 13 j° 12 voorzover het hof daarin van een verkeerde maatstaf zou zijn uitgegaan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft niet miskend dat [eiser] de kosten vorderde als z.i. redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en/of ter verkrijging van voldoening buiten rechte (art. 6:96 lid 2 sub b en Pro c BW; HR 3 april 1987, NJ 1988, 275 en HR 17 november 1989, NJ 1990, 746). Zie heel expliciet in deze zin het slot van r.o. 14. De beslissing van het hof steunt op een bepaalde opvatting over de verhouding van de strafrechtelijke klaagschriftprocedure van art. 552a Sv en de civielrechtelijke onrechtmatige daad-procedure. De klacht in onderdeel 4 sub b dwingt tot een nadere analyse van deze verhouding.
moethet doen voorzover hij meer wil dan de billijke vergoeding van art. 591a Sv j° art. 90 Sv Pro.
moestbeginnen en dat ook van plan was, hij daarom ook maar in die procedure de grondslag van zijn claim aan de orde
moeststellen, te weten — in de zienswijze van het hof — de onrechtmatigheid van het handelen van de Officier.
komt hiertegen terecht op (behoudens voorzover het mede klaagt over schadebeperking. [eiser] heeft dienaangaande in de feitelijke instanties niets gesteld waarop het hof had moeten ingaan).
van het middel eveneens gegrond en behoeft het subsidiair voorgestelde
geen bespreking meer. Overigens: indien beide procedures onafhankelijk van elkaar moeten worden beschouwd, heeft m.i. het hof de art. 56/7 Rv te ver opgerekt. Het kan niet de bedoeling zijn de kosten van de klaagschriftprocedure onder de te liquideren proceskosten in civiele zaken te begrijpen.