Conclusie
Onderdeel 1van het middel richt zich in vier subonderdelen tegen de overweging waarmee de rechtbank de derde grief van [verzoekster] tegen de eindbeschikking van de kantonrechter heeft verworpen:
subonderdeel 1.awordt de rechtbank verweten te hebben miskend dat de rechter bij de beoordeling van verzoeken op de voet van, onder andere, art. 7A:1626 lid 3 BW wel degelijk de vrijheid heeft rekening te houden met de bijzondere omstandigheden van het geval, daaronder begrepen die welke betreffen de wijze van totstandkoming van het door partijen omtrent de huurprijs overeengekomene. Het middel beroept zich daartoe op onder meer HR 13 oktober 1989, NJ 1990, 494 nt. PAS ( […] / […] ).
subonderdeel 1.aen, in het kielzog daarvan,
subonderdeel 1.bdoel treffen en dat
subonderdeel 1.dniet meer aan de orde behoeft te komen.
Subonderdeel 1.cfaalt echter. Het mist feitelijke grondslag: de rechtbank heeft de door het subonderdeel bedoelde omstandigheden niet over het hoofd gezien, maar klaarblijkelijk, op grond van de door subonderdeel 1.a terecht gewraakte overweging, niet in aanmerking willen nemen.
Onderdeel 2van het middel keert zich tegen de overwegingen waarmee de rechtbank de tweede grief van [verzoekster] tegen de eindbeschikking van de kantonrechter heeft verworpen: