Partijen zijn in 1976 getrouwd in gemeenschap van goederen en zijn in 1999 gescheiden, waarbij de huwelijksgemeenschap nog niet was verdeeld. De man en vrouw hebben gezamenlijk een woning en appartement gebouwd op een perceel grond, gefinancierd met een hypothecaire lening die de man tot 2017 heeft afgelost. De vrouw woont sinds 2008 in het appartement, de man in de woning sinds 2009.
In eerste aanleg bepaalde het Gerecht dat de woning aan de man toebehoorde onder voorwaarde van vergoeding aan de vrouw, met aanspraken van de vrouw op het ouderdomspensioen van de man vanaf 2020. Beide partijen kwamen in hoger beroep met verschillende grieven over peildata, waardering en verrekening van betalingen.
Het Hof stelt dat de peildatum voor samenstelling van de gemeenschap 19 mei 1999 is en voor waardering de datum van het vonnis in hoger beroep. De woning en het appartement moeten worden verkocht aan een derde, waarbij de opbrengst wordt verdeeld, met verrekening van door de man betaalde hypotheeklasten en verzekeringen. De vrouw heeft recht op de helft van het ouderdomspensioen van de man vanaf 1 november 2020, met een jaarlijkse uitkering. De man wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige pensioenuitkeringen.
De overige vorderingen van de man, zoals gebruiksvergoeding en verrekening van erfpacht, worden afgewezen. Het vonnis treedt in de plaats van medewerking aan verkoop en overdracht en is uitvoerbaar bij voorraad. Iedere partij draagt eigen proceskosten.