Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:OGHACMB:2022:116

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
31 oktober 2022
Publicatiedatum
3 november 2022
Zaaknummer
AUA2022H00030
Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen fictieve afwijzende beschikking op bezwaar ophoudingsbevel

De minister heeft op 7 november 2020 een ophoudingsbevel tegen appellant uitgevaardigd. Appellant maakte hiertegen bezwaar op 12 november 2020. Omdat de minister niet tijdig op het bezwaar besliste, stelde appellant op 6 april 2021 beroep in tegen de fictieve afwijzende beschikking op bezwaar.

Het Gerecht in eerste aanleg verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn. Het beroep was namelijk pas op 6 april 2021 ingediend, terwijl de termijn op 1 april 2021 afliep en niet verlengd werd vanwege Goede Vrijdag.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de bestuursrechter niet ambtshalve de tijdigheid van het beroep mag toetsen. Het Hof verwierp dit betoog, verwijzend naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en het Hof zelf, die stellen dat tijdigheid weliswaar niet van openbare orde is, maar wel dwingend en daarom ambtshalve moet worden beoordeeld.

Het Hof concludeerde dat het Gerecht terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard en bevestigde de uitspraak. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de fictieve afwijzende beschikking op bezwaar is niet tijdig ingediend en daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

AUA2022H00030
Datum uitspraak: 31 oktober 2022
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], verblijvend in [verblijfplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 31 januari 2022 in zaak nr. AUA202100894, in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie, thans de minister van Justitie en Sociale Zaken (hierna: de minister)

Procesverloop

Bij beschikking van 7 november 2020 heeft de minister de ophouding van [appellant] bevolen (hierna: het ophoudingsbevel).
Op 12 november 2020 heeft [appellant] daartegen bezwaar gemaakt.
Op 6 april 2021 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het door hem gemaakte bezwaar (hierna: fictieve afwijzende beschikking op bezwaar).
Bij uitspraak van 31 januari 2022 heeft het Gerecht het door [appellant] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Met toestemming van partijen is een behandeling ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

Inleiding
1. [appellant] heeft op 12 november 2020 bezwaar gemaakt tegen het ophoudingsbevel. Op 6 april 2021 heeft hij beroep ingesteld tegen de fictieve afwijzende beschikking op bezwaar. Het Gerecht heeft dat beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. De minister raakte namelijk op 5 februari 2021 in gebreke om tijdig op het bezwaar te beschikken, zodat op die dag de beroepstermijn van acht weken is aangevangen. Deze termijn eindigde op 1 april 2021 en niet een dag later op Goede Vrijdag. De termijn was daarom niet verlengd tot dinsdag 6 april 2021, aldus het Gerecht.

Het hoger beroep

2. In hoger beroep voert [appellant] aan dat het Gerecht buiten de omvang van het geding is getreden door ambtshalve te beoordelen of het beroepschrift tijdig is ingediend. Volgens [appellant] volgt uit een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:12118, dat de bestuursrechter niet gehouden is om ambtshalve de tijdigheid van het bij hem ingestelde rechtsmiddel, in dit geval: beroep, te beoordelen.
2.1.
Het Hof heeft in zijn uitspraak van 19 januari 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:2, aansluiting gezocht bij de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500, waarnaar ook de rechtbank Rotterdam in haar uitspraak heeft verwezen. Uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en het Hof volgt dat de wettelijke bepalingen over tijdigheid van een bezwaar- of beroepschrift weliswaar niet van openbare orde zijn, maar wel dwingend van aard. Dat betekent dat de instantie waarbij een rechtsmiddel is ingesteld, wettelijk gehouden is de tijdigheid van dat rechtsmiddel te beoordelen en in geval van niet-verschoonbare termijnoverschrijding het rechtsmiddel nietontvankelijk te verklaren. De uitspraak van (een enkelvoudige kamer van) de rechtbank Rotterdam is daarmee in strijd en daarom niet juist. Het Gerecht heeft dan ook terecht beoordeeld of het beroepschrift van [appellant] tijdig is ingediend en is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat dit niet het geval is. Het betoog slaagt niet.
Slotsom
3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. T.G.M. Simons, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.
w.g. Bel
voorzitter
w.g. Van der Heide
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2022.