Belanghebbende, een Arubaanse vennootschap die een badkamertegelwinkel exploiteert, betwistte in hoger beroep de navorderingsaanslag winstbelasting 2012 opgelegd door de Inspecteur. De discussie betrof de fiscale kwalificatie van een lening van CIM SA, aandeelhouder met 99,5% aandelen, ter waarde van Afl. 925.335 verstrekt in 2006. Belanghebbende stelde dat deze lening feitelijk kapitaal was en dat de schuld ultimo 2011 en 2012 nog bestond omdat geen kwijtschelding had plaatsgevonden.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een schijnlening of deelnemerschapslening. De lening werd civielrechtelijk als zodanig erkend met een reële terugbetalingsverplichting. Hoewel de lening onder onzakelijke voorwaarden was verstrekt, maakte dit niet dat het fiscaal kapitaal betrof. Tevens was niet overtuigend aangetoond dat de lening een bodemloze-putlening was bij verstrekking.
Belanghebbende had geen aangifte winstbelasting 2011 gedaan en pas in 2018 alsnog gegevens verstrekt. Het Hof achtte de correctie van de Inspecteur op basis van een redelijke schatting gerechtvaardigd. Gezien het ontbreken van activa ultimo 2011 en 2012, had belanghebbende de schuld per 31 december 2011 moeten afwaarderen. De afwaardering in 2012 door de Inspecteur was terecht volgens de foutenleer. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerecht bevestigd.