Uitspraak
1.PROCESVERLOOP
2.FEITEN
3.GESCHIL
4.OVERWEGINGEN
5.PROCESKOSTENVERGOEDING EN GRIFFIERECHT
6.DE BESLISSING
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten
Belanghebbende voerde van 1996 tot 2013 een ongehuwde gezamenlijke huishouding met zijn partner, die in 2013 werd beëindigd. Na beëindiging betaalde belanghebbende een verzorgingsuitkering aan zijn vroegere partner, vastgelegd in een rechtens afdwingbare vaststellingsovereenkomst. De Inspecteur corrigeerde de aftrek van deze uitkeringen in de aanslagen inkomstenbelasting en premies over de jaren 2013 tot en met 2015.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen, dat werd afgewezen. Vervolgens stelde hij beroep in bij het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten. Het Gerecht oordeelde dat de betalingen een persoonlijke last vormen die aftrekbaar is op grond van artikel 16 lid 1 sub a van Pro de Landsverordening op de inkomstenbelasting, omdat de uitkeringen voortvloeien uit een dringende morele verplichting die is omgezet in een rechtens afdwingbare verplichting.
De Inspecteur erkende dat de vroegere partner onvoldoende middelen had om in haar levensonderhoud te voorzien. Het Gerecht verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraken op bezwaar en stelde de aanslagen naar beneden bij. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak is gegeven op 23 oktober 2020 door rechter A.J.H. van Suilen.
Uitkomst: De verzorgingsuitkering is aftrekbaar als persoonlijke last en de aanslagen worden verminderd.