ECLI:NL:HR:2002:AE0287
Hoge Raad
- Cassatie
- E. Korthals Altes
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- J.W. van den Berge
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over dringende morele verplichting bij alimentatiebetalingen
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd die na bezwaar werd verminderd. Tegen deze uitspraak kwam hij in beroep bij het Hof, dat de Inspecteur in het gelijk stelde. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betrof de vraag of betalingen aan voormalige partners B en D konden worden aangemerkt als uitkeringen op grond van een dringende morele verplichting tot levensonderhoud, zoals bedoeld in artikel 45, lid 1, letter d, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het Hof beperkte deze verplichting tot situaties waarin een niet-huwelijkse samenleving was beëindigd en de betalingen direct daarmee verband hielden.
De Hoge Raad oordeelde dat het begrip dringende morele verplichting breder moet worden uitgelegd en niet beperkt is tot beëindigde samenlevingen. Ook het feit dat belanghebbende nooit met D had samengewoond, sluit een dergelijke verplichting niet uit. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het Hof ten onrechte het tijdsverloop tussen het beëindigen van de samenleving met B en de eerste betalingen buiten beschouwing liet.
Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing met inachtneming van deze richtlijnen. De Staat wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming van een bredere uitleg van de dringende morele verplichting.