ECLI:NL:OGEAC:2025:282

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
CUR202500501 t/m CUR202500504
Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid van bezwaar tegen belastingaanslagen en teruggaafverzoeken in het belastingrecht

In deze zaak heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao op 18 december 2025 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van een bezwaar van belanghebbende tegen belastingaanslagen voor de jaren 2015 en 2016. Belanghebbende, woonachtig in Aruba, had eerder verzoeken om teruggaaf van ingehouden belasting ingediend bij de Inspecteur der Belastingen in Curaçao. De Inspecteur had echter nagelaten tijdig uitspraak te doen op deze bezwaren, wat leidde tot een beroep van belanghebbende tegen het niet-tijdig doen van uitspraak. Het Gerecht oordeelde dat het beroep gegrond was, omdat belanghebbende tijdig had ingediend, maar dat het bezwaar zelf niet-ontvankelijk was vanwege termijnoverschrijding. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor de Inspecteur om tijdig te beslissen op bezwaren en de gevolgen van het niet-naleven van deze verplichting. Het Gerecht heeft de Inspecteur ook opgedragen om de proceskosten van belanghebbende te vergoeden, evenals het griffierecht. Deze uitspraak heeft implicaties voor de rechtsbescherming van belastingplichtigen en de verantwoordelijkheden van belastingautoriteiten.

Uitspraak

Uitspraak van 18 december 2025
BBZ nrs. CUR202500501 t/m CUR202500504
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende],wonende te Aruba,
belanghebbende,
gericht tegen:
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.

1.PROCESVERLOOP

1.1
Aan belanghebbende zijn op de volgende data voor de jaren 2015 en 2016 aanslagen inkomstenbelasting (IB) en premie AVBZ opgelegd.
Jaar
Datum
2015
28-06-2019
2016
14-06-2019
1.2 [
X] heeft als inhoudingsplichtige van belanghebbende, op 15 februari 2019 een verzoek om teruggaaf van (onder meer) ingehouden en afgedragen loonbelasting en premie AVBZ voor de jaren 2011 tot en met 2016 bij de Inspecteur ingediend. In het verzoek is vermeld dat teruggaaf ook mag plaatsvinden via de IB aan belanghebbende.
1.3
Bij brief van 13 juli 2020 heeft belanghebbende zelf een verzoek om teruggaaf van IB voor de jaren 2011 tot en met 2016 bij de Inspecteur ingediend.
1.4
De Inspecteur heeft het verzoek van 15 februari 2019 (zie 1.2) aangemerkt als een door belanghebbende ingediend bezwaarschrift tegen de aanslagen IB en premie AVBZ voor de jaren 2011 tot en met 2014.
1.5
Op 15 november 2024 heeft het Gerecht uitspraak gedaan betreffende de aanslagen IB en premies AVBZ voor de jaren 2011 tot en met 2016 [1] De uitspraak luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“4.14 De mogelijk als bezwaar tegen de aanslagen IB en premie AVBZ 2015 en 2016 aan te merken brieven zijn op 15 februari 2019 (…), dan wel 13 juli 2020 (…) door de Inspecteur ontvangen. Belanghebbende heeft op zijn bezwaar geen beslissing van de Inspecteur ontvangen. De Inspecteur heeft op de zitting verklaard dat hij niet weet of voor deze jaren uitspraak op bezwaar is gedaan, dat hij dit op kantoor moet nagaan en dat hij over deze jaren een reactie zal sturen. Nu de Inspecteur heeft nagelaten om een reactie te sturen (…) zal het Gerecht ervan uitgaan dat voor deze jaren geen uitspraak op bezwaar is gedaan.
(…)
4.17
Belanghebbende heeft op 22 december 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op de bezwaren. Dit beroep is in beide gevallen te laat ingesteld. Gesteld noch gebleken is dat sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. Dit beroep is derhalve niet-ontvankelijk.
4.18
De Inspecteur is niettemin gehouden om uitspraak te doen op bezwaar en deze op de voorgeschreven wijze bekend te maken aan belanghebbende. Immers het beroep inzake het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar is een procedureel drukmiddel om de Inspecteur tot beslissen te bewegen. Deze procedure laat onverlet dat de Inspecteur nog wel uitspraak moet doen op het bezwaar (vgl. HR 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1365).
4.19
Uit een oogpunt van rechtsbescherming zal het Gerecht verstaan dat de Inspecteur binnen twee maanden na de dagtekening van deze uitspraak, op het bezwaar zal beschikken. Als de Inspecteur niet binnen die termijn (uiterlijk op 15 januari 2025) uitspraak doet, dan kan belanghebbende voor de jaren 2015 en 2016 tot 15 maart 2025 beroep instellen bij het Gerecht tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.”
1.6
De Inspecteur heeft niet binnen de door het Gerecht gestelde termijn uitspraak op bezwaar gedaan en heeft dat ook nadien niet gedaan.
1.7
Belanghebbende heeft op 11 februari 2025 beroep ingediend tegen het niet (tijdig) doen van uitspraken op bezwaar tegen de aanslagen IB en premie AVBZ 2015 en 2016. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 50.
1.8
De Inspecteur heeft op 11 september 2025 een verweerschrift ingediend.
1.9
De zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2025 te Willemstad. Namens belanghebbende is verschenen de heer mr. [A], verbonden aan [Y] te Curaçao. Namens de Inspecteur is verschenen mevrouw mr. [B].
1.1
De gemachtigde heeft ter zitting een pleitnota ingebracht en voorgedragen.

2.FEITEN

2.1
Belanghebbende was gedurende de onderhavige jaren 2015 en 2016 woonachtig in Aruba. Hij heeft in Aruba als binnenlands belastingplichtige aangifte IB gedaan.
2.2
Belanghebbende ontving in de onderhavige periode loon uit dienstbetrekking van een naar Curaçaos recht opgerichte vennootschap genaamd [X]. [X] heeft in de onderhavige jaren ter zake van voornoemde inkomsten in Curaçao maandelijks loonbelasting en premies ingehouden en afgedragen. Belanghebbende heeft voor deze jaren in Curaçao aangifte IB gedaan als buitenlands belastingplichtige. Voormelde inkomsten afkomstig van [X] zijn in de aangiften IB in Curaçao aangegeven.
2.3
Belanghebbende heeft voor de inkomsten uit Curaçao ook aangifte gedaan in Aruba. Daarbij heeft hij verzocht om voorkoming van dubbele belasting.
2.4
De Inspecteur der Belastingen Aruba heeft op 11 november 2016 aangekondigd van de door belanghebbende ingediende aangifte IB 2011 af te wijken. In deze brief is vermeld dat de inkomsten van belanghebbende als directeur van [X] conform artikel 15, lid 3 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) worden belast in Aruba en voorts dat er geen voorkoming van dubbele belasting zal worden verleend.
2.5
De Inspecteur der Belastingen Aruba heeft vervolgens op verzoek van belanghebbende bij brief van 31 januari 2017 bepaald dat de vestigingsplaats van [X] voor toepassing van de BRK vanaf 2011 Aruba is. Ook de overige aanslagen (2012 tot en met 2016) zijn in Aruba, in afwijking van de aangiften, opgelegd.
2.6
Belanghebbende heeft vervolgens de Inspecteur der Belastingen Curaçao verzocht om teruggaaf (zie 1.2 en 1.3).

3.GESCHIL

3.1
Tussen partijen is in geschil of belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar. De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend en belanghebbende bevestigend. Tussen partijen is inhoudelijk in geschil of het heffingsrecht ten aanzien van de door belanghebbende verdiende inkomsten uit loondienst, aan Curaçao of aan Aruba toekomt.

4.OVERWEGINGEN

4.1
Alvorens tot een beoordeling van de geschilpunten te kunnen overgaan dient het Gerecht de ontvankelijkheid van belanghebbende ‘s beroep te beoordelen.
Ontvankelijkheid beroep 2015 en 2016
4.2
Het Gerecht heeft in haar uitspraak van 15 november 2024 overwogen dat, als de Inspecteur niet uiterlijk op 15 januari 2025 uitspraak op bezwaar doet, belanghebbende voor de jaren 2015 en 2016 tot 15 maart 2025 beroep kan instellen bij het Gerecht tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
4.3
Het Gerecht stelt voorop dat (in ieder geval) de brief van 13 juli 2020 (zie 1.3) als bezwaarschrift kan worden aangemerkt. In de brief wordt immers verzocht om de aanslagen IB 2015 en 2016 te verminderen. Vaststaat dat de Inspecteur nog immer geen uitspraken op bezwaar heeft gedaan en tevens staat vast dat belanghebbende vóór 15 maart 2025 beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraken op bezwaar. Gelet daarop is het beroep gegrond.
4.4
Het Gerecht ziet evenwel om proceseconomische redenen ervan af om de Inspecteur op te dragen alsnog een beslissing te nemen op de bezwaren, omdat de alsnog te nemen beslissingen (de reële uitspraken op bezwaar) immers tot niets anders kunnen leiden dan tot een niet-ontvankelijkverklaring. Redengevend daarvoor is het volgende.
Ontvankelijkheid bezwaar 2015 en 2016
4.5
In artikel 29, lid 1, Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bewaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.
4.6
De onderhavige aanslagbiljetten voor de jaren 2015 en 2016 zijn gedagtekend op respectievelijk 28 juni 2019 en 14 juni 2019. Als het verzoek van 15 februari 2019 (zie 1.2) al als een door belanghebbende ingediend bezwaarschrift zou kunnen worden aangemerkt (het Gerecht laat dat in het midden) dan is het vóór de dagtekening van de aanslagbiljetten ingediend.
4.7
In dat geval blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de belastingaanslagen ten tijde van het indienen van het bezwaar reeds tot stand waren gekomen [2] of dat de belanghebbende redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. Gelet op het tijdsverloop van ca. vier maanden tussen het verzoek van 15 februari 2019 en de opgelegde aanslagen is daarvan in dit geval niet gebleken. De enkele omstandigheid dat belanghebbende op 15 februari 2019 al wist dat de Inspecteur bij de vaststelling van de aanslagen 2015 en 2016 (in navolging van de reeds opgelegde aanslagen van eerdere jaren waarin dezelfde problematiek speelde) waarschijnlijk zou gaan afwijken van de aangifte is daarvoor onvoldoende. Dat betekent dat (overeenkomstig de visie van de Inspecteur) sprake is van een prematuur niet-ontvankelijk bezwaar.
4.8
Het schrijven van 13 juli 2020 kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de aanslagen IB en premies AVBZ 2015 en 2016 (zie 4.3). Gelet op de dagtekening van de aanslagen (28 juni 2019 en 14 juni 2019), heeft belanghebbende niet tijdig bezwaar gemaakt.
4.9
Een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar op grond van termijnoverschrijding blijft echter achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaar in verzuim is geweest. Het betreft dan gevallen waarin belanghebbende redelijkerwijs niet in staat was tegen een besluit tijdig een rechtsmiddel aan te wenden. Een zodanig geval doet zich in dit geval evenwel niet voor. Belanghebbende was immers wel in staat binnen de wettelijke bezwaartermijn tegen de aanslagen 2015 en 2016 bezwaar te maken, maar heeft dit nagelaten. Het bezwaarschrift dient dan ook, overeenkomstig de visie van de Inspecteur, niet ontvankelijk te worden verklaard.
4.1
Het Gerecht onderkent dat haar beslissing betreffende de ontvankelijkheid van het bezwaar met betrekking tot de jaren 2015 en 2016 bij de huidige stand van zaken leidt tot dubbele belastingheffing. Het Gerecht verwijst in dit verband naar het bepaalde in artikel 35 van de BRK alwaar een regeling voor onderling overleg is opgenomen. Indien belanghebbende een in genoemd artikel verzoek doet bij de Inspecteur der Belastingen Aruba, verwacht het Gerecht dat – indien nodig – de Inspecteur der Belastingen Aruba en Curaçao op voortvarende wijze maatregelen zullen treffen ter vermijding van dubbele heffing.
4.11
Gelet op hetgeen is overwogen in 4.3 is het beroep gegrond.

5.PROCESKOSTEN

Kosten beroepsfase

5.1
Ingevolge artikel 15, lid 2, Landsverordening Beroep in Belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).
5.2
In artikel 1 van het Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op Cg. 700 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Cg. 700, wegingsfactor 0,5 (beroep niet-tijdig beslissen)). Het Gerecht overweegt hierbij dat de gemachtigde één beroepschrift heeft ingediend zodat sprake is van één zaak in de zin van voormeld Besluit, ook al betreft het meerdere zaken (vgl. HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3953).
5.3
Het Gerecht draagt de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5, LBB op, om het betaalde griffierecht van Cg. 50 aan belanghebbende te vergoeden.

6.DE BESLISSING

Het Gerecht verklaart:
  • het beroep tegen het niet-tijdig doen van uitspraken op bezwaar inzake de jaren 2015 en 2016 gegrond;
  • het bezwaar inzake de jaren 2015 en 2016 niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van Cg. 700, en
  • draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van Cg. 50 te vergoeden.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en uitgesproken op 18 december 2025, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen
.
De griffier, De rechter,
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen
twee maandenna de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500

Voetnoten

1.GEA Curaçao, ECLI:NL:OGEAC:2024:187.
2.Vgl. GEA Aruba 7 januari 2019, ECLI:NL:OGEAA:2019:1, GEA Curaçao 20 december 2019, ECLI:NL:OGEAC:2019:286.