In deze zaak is in geschil de hoogte van de zuivere inkomsten uit een woning in Curaçao, die eigendom is van een belanghebbende woonachtig in Nederland. De belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2021, waarbij de Inspecteur een belastbaar inkomen van NAf 33.633 heeft vastgesteld. De belanghebbende heeft op 14 juni 2023 bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, maar de Inspecteur heeft niet tijdig uitspraak gedaan. Op 20 februari 2025 heeft de belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Het Gerecht heeft geoordeeld dat het beroep gegrond is, omdat de Inspecteur niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist.
Daarnaast is er een geschil over de aftrekbare bewonerslasten. De belanghebbende stelt dat de zuivere inkomsten uit de woning en het belastbaar inkomen vastgesteld moeten worden op NAf 21.774,12, terwijl de Inspecteur een bedrag van NAf 26.884 bepleit. Het Gerecht heeft geoordeeld dat de kosten van beheer en resort fees niet volledig in aftrek kunnen worden gebracht, omdat niet voldoende inzicht bestaat in de samenstelling van deze kosten. Het Gerecht heeft de aanslag uiteindelijk verminderd tot een belastbaar inkomen van NAf 26.514 en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van de belanghebbende.
De uitspraak is gedaan op 17 december 2025, waarbij het Gerecht heeft besloten dat de belanghebbende recht heeft op vergoeding van het griffierecht van NAf 50.