Belanghebbende, inwoner van Curaçao, ontving in 2016 arbeidsinkomsten uit de Verenigde Staten ter waarde van circa NAf 52.900. Curaçao belast inwoners op hun wereldinkomen, waardoor dubbele belasting ontstaat omdat de VS ook belasting heft over deze inkomsten. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting die door de Inspecteur was vastgesteld zonder aftrek ter voorkoming van dubbele belasting.
Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao oordeelde dat op basis van het beleid van de Inspecteur, dat aansluit bij het OESO-Modelverdrag, Curaçao een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting dient toe te passen op de buitenlandse arbeidsinkomsten. Dit beleid werd niet weersproken en is consistent met eerdere uitspraken. Het heffingsrecht voor inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid ligt in beginsel bij het bronland (VS), terwijl de woonstaat (Curaçao) het wereldinkomen belast.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende recht heeft op een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting van NAf 5.289, waardoor de aanslag werd verminderd van NAf 5.364 naar NAf 25. Tevens werd de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht. Hiermee werd het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag aanzienlijk verminderd.