Belanghebbende kreeg verzuimboetes opgelegd voor het niet tijdig indienen van belastingaangiften over april en mei 2020. De Inspecteur stelde dat de aangiften te laat waren ingediend, waarbij de aangifte over mei 2020 volgens het systeem op 19 juni 2020 was geregistreerd. Belanghebbende betwistte de tijdige verzending van het aanslagbiljet en stelde dat hij de aangiften tijdig in de postbus van de Departamento di Impuesto had gedeponeerd, conform instructies vanwege COVID-19.
De Inspecteur verklaarde het bezwaar tegen de boete over mei 2020 niet-ontvankelijk wegens te late indiening, maar het Gerecht oordeelde dat de Inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat het aanslagbiljet tijdig was toegezonden. Hierdoor was het bezwaar ontvankelijk en moest het beroep gegrond worden verklaard. Ten aanzien van de aangifte van mei 2020 achtte het Gerecht het aannemelijk dat deze tijdig was ingediend, gezien organisatorische COVID-omstandigheden die de registratie vertraagden.
De verzuimboete over april 2020 werd verminderd van Afl. 125 naar Afl. 100, passend geacht gezien de bijzondere omstandigheden. De boete over mei 2020 werd vernietigd. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn van twee jaar voor uitspraak was overschreden. Het betaalde griffierecht van Afl. 25 werd aan belanghebbende vergoed.