ECLI:NL:OGAACMB:2022:40

Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Datum uitspraak
20 juni 2022
Publicatiedatum
4 augustus 2022
Zaaknummer
AUA202100767
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N.K. Engelbrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevordering ambtenaar naar schaal 6 met terugwerkende kracht

De zaak betreft het bezwaar van een ambtenaar tegen de beslissing van de Gouverneur van Aruba over de ingangsdatum van zijn bevordering naar schaal 6. Het gerecht stelde in een eerdere tussenuitspraak vast dat de ambtenaar voldoet aan de anciënniteits- en functiewaarderingseisen per 1 januari 2017.

Verweerder stelde dat de bevordering pas per 1 januari 2018 kon plaatsvinden vanwege het ontbreken van een positieve beoordeling over 2017. Klager betoogde dat hij ten onrechte niet eerder beoordeeld is en dat hij vanaf 1 januari 2017 bekwaam was.

Het gerecht oordeelde op basis van jurisprudentie van de Raad van Beroep dat bevordering geen automatisme is, maar dat bij het ontbreken van een negatieve beoordeling en gelet op de positieve beoordeling over 2018, de bekwaamheid vanaf 1 januari 2017 kan worden aangenomen. Daarom moet de bevordering met terugwerkende kracht vanaf die datum plaatsvinden.

De beslissing vernietigt het eerdere Landsbesluit voor zover het de ingangsdatum betreft en beveelt een nieuwe beslissing binnen twee maanden. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Afl. 1.400,-.

Uitkomst: De ambtenaar wordt met terugwerkende kracht per 1 januari 2017 bevorderd naar schaal 6.

Uitspraak

Uitspraak van 20 juni 2022
Gaza nr. AUA202100767

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK
op het bezwaar in de zin van
de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[Klager],

wonend te Aruba,
KLAGER,
gemachtigde: mr. E. Duijneveld,
tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelend te Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ).

Het verloop van procedure

Het eerdere verloop van de procedure blijkt uit de tussenuitspraak van dit gerecht van 22 november 2021, met de daarin vermelde standpunten van partijen, de ter beoordeling voorliggende vraag, de relevante feiten, en het wettelijk kader, alsmede de beoordeling met betrekking tot de anciënniteits- en functiewaarderingsvereiste.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de op 13 december 2021 door verweerder ingediende akte-uitlating met nadere stukken;
- de op 14 maart 2022 door klager ingediende contra-akte.
De uitspraak is vervolgens (nader) bepaald op heden.

De verdere beoordeling

1. In voornoemde tussenuitspraak heeft het gerecht reeds vastgesteld dat klager wat betreft zijn bevordering naar schaal 6, met ingang van 1 januari 2017 voldoet aan zowel de anciënniteitseis als de functiewaarderingseis. Het gerecht ziet geen aanleiding om hiervan terug te komen.
2. Verweerder is bij voornoemde tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag waarom klager niet met ingang van zijn plaatsing in de functie van projectvoerder infrastructuur en verkeer met ingang van 1 januari 2017 in aanmerking komt voor een bevordering naar schaal 6.
3.1
In zijn akte heeft verweerder gesteld, dat klager niet met ingang van zijn plaatsing in de functie van projectvoerder kan worden bevorderd, aangezien hij op die datum nog niet voldoet aan de vereiste van bekwaamheid. Er is geen beoordeling voor het jaar 2017. Klager is in het jaar 2018 positief beoordeeld zodat sprake is van een vermoeden van positieve beoordeling in 2017, waardoor klager met ingang van 1 januari 2018 kan worden bevorderd naar schaal 6. Aldus verweerder.
3.2
Klager heeft als reactie hierop aangevoerd, dat voor zover zijn bekwaamheid over het jaar 2017 niet volgt uit de beoordeling uit 2018, verweerder voorbijgaat aan het feit dat hij zelf heeft nagelaten klager eerder te beoordelen.
4. Het gerecht overweegt als volgt.
4.1
De Raad van Beroep in Ambtenarenzaken heeft wat betreft de vraag wanneer een ambtenaar die in zijn oude functie zijn maximale rang heeft bereikt kan worden bevorderd naar de naasthogere rang als hij wordt benoemd in een functie met een hogere eindbezoldiging, in een aantal uitspraken het volgende geoordeeld.
4.1.1
In de uitspraak van 21 juli 2021, ECLI:NL:ORBAACM:2021:51 is het volgende overwogen:
“(…) 4.3. Het is vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 31 mei 2016, ECLI:NL:ORBAACM:2016:5) dat uit het in de BrA besloten stelsel volgt dat de waardering van een carrièrefunctie altijd een maximale waardering betreft. Hiernaar moet door bevordering langs het rangenstelsel, en de daarbij behorende eisen, worden toegewerkt. Plaatsing in een carrièrefunctie betekent dan ook niet zonder meer dat de bezoldiging moet worden toegekend op het niveau waarop de betrokkene functie is gewaardeerd. De bezoldiging bij carrièrefuncties is immers gekoppeld aan de rang van betrokkene en zijn bevordering loopt langs dat pad en de daarvoor geldende eisen.
(…)
4.5.2.
Wat het laatste aspect betreft heeft appellant zijn stelling dat een betrokkene die een andere functie gaat vervullen pas kan worden bevorderd als er over het functioneren in die nieuwe functie een positieve beoordeling is, op geen enkele wijze onderbouwd. De in onderdeel 4.2.1 weergegeven artikelen sluiten de mogelijkheid van een bevordering bij plaatsing in een andere functie niet uit. (…) In de Lma en de BrA is evenmin een grondslag te vinden voor het standpunt van appellant. Bij het ontbreken van een regeling op dit punt moet ervan worden uitgegaan dat een betrokkene alleen wordt geplaatst in een hoger gewaardeerde functie als het bevoegd gezag de overtuiging heeft - of zou moeten hebben - dat de betrokkene beschikt over de geschiktheid en bekwaamheid om die functie te vervullen.(…).
4.1.2
Vervolgens heeft de Raad in de uitspraak van 27 oktober 2021 op bepaalde aspecten hiervan een nuancering of verduidelijking aangebracht (zie ECLI:NL:ORBAACM:2021:66), en het volgende overwogen:
“ (…) 4.4. Concluderend wordt vastgesteld dat voor een ambtenaar die in zijn “oude” functie de maximale schaal heeft bereikt en benoemd wordt in een zwaardere functie bevordering geen automatisme is. Die ambtenaar voldoet wel aan de anciënniteitseis en als hij voldoet aan de opleidingseis, dan kan bevordering plaatsvinden als en zodra die ambtenaar voldoet aan de eis van geschikt en bekwaam zijn. Die bekwaamheid kan worden vastgesteld door een beoordeling, maar bij gebrek aan een beoordelingsreglement ook door een beredeneerd oordeel van het diensthoofd. Er kunnen zich situaties voordoen dat een positief oordeel over de bekwaamheid van de ambtenaar bij de ingangsdatum van de benoeming in de zwaardere functie al kan worden gegeven, bijvoorbeeld in de situatie dat de ambtenaar de zwaardere functie al geruime tijd heeft waargenomen. In zo’n geval kunnen de benoeming in de zwaardere functie en de bevordering met ingang van hetzelfde moment plaatsvinden. Het kan bijvoorbeeld ook zo zijn dat de ambtenaar over zodanige kwaliteiten beschikt dat hij van meet af aan bekwaam blijkt te zijn geweest voor de zwaardere functie, dan is bevordering met terugwerkende kracht mogelijk vanaf het moment van benoeming in de zwaardere functie. (…)”
4.2
In dit geval gaat het om een situatie waarin klager bij Landsbesluit van 24 september 2020, op grond van het voorstel van de directeur DOW van 31 juli 2019, vanaf 1 januari 2017 is geplaatst in de functie van projectvoerder, welke functie hij vanaf die datum feitelijk ook al vervulde. Nu klager vervolgens goed heeft gescoord bij zijn beoordeling over het jaar 2018, en daarbij niet is gesteld of gebleken dat dit (goede) functioneren ten opzichte van het functioneren gedurende 2017 een enorme verbetering was, stelt het gerecht, in het licht van voormelde uitspraken, vast dat klager kennelijk van meet af aan, dus vanaf 1 januari 2017, beschikt over de geschiktheid én bekwaamheid om bedoelde functie te vervullen.
4.3
Hieruit volgt dat klager voldoet aan alle vereisten om met ingang van 1 januari 2017 te worden bevorderd naar de rang van technisch opzichter in schaal 6.
5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bezwaar gegrond is, en dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing inzake de bevordering van klager zal moeten nemen, wat betreft de ingangsdatum van deze bevordering.
6. Verweerder zal als na te noemen worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- vernietigt het Landsbesluit van 5 februari 2021, wat betreft de ingangsdatum van de bevordering naar de rang van technisch opzichter (schaal 6);
- bepaalt dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing dient te nemen op het verzoek tot bevordering van klager naar de rang van technisch opzichter in schaal 6 wat betreft de ingangsdatum van die bevordering, binnen twee maanden na dagtekening van deze uitspraak,
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door klager voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 1.400,-.
Aldus gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in ambtenarenzaken, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 juni 2022, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen hoger beroep instellen bij de Raad van beroep in ambtenarenzaken. Daarbij dient de volgende termijn in acht te worden genomen:
  • Als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: Binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak;
  • In de andere gevallen: Binnen dertig dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij:
De griffie van de Raad van Beroep in ambtenarenzaken
J.G. Emanstraat 51
Oranjestad
Aruba
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,
b. de datum van ondertekening,
c. waartegen u in hoger beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.