Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:998

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
24/01930
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.C OpiumwetArt. 26.1 WWMArt. 359 lid 3 SvArt. 378 lid 2 SvArt. 423 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontbreken inhoud bewijsmiddelen in hofuitspraak bij bewezenverklaring cocaïne en vuurwapen

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd bewezenverklaard van het aanwezig hebben van circa 12,35 gram cocaïne en het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie op 14 januari 2022.

De politierechter had deze feiten bewezen verklaard op basis van diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van de verdachte, proces-verbalen, een NFI-rapport en een deskundigenrapportage. De verdachte ontkende bewustheid van het vuurwapen en voerde twijfel aan over de bewijslast, met name over de aanwezigheid van zijn DNA op het wapen.

In hoger beroep bevestigde het hof het vonnis van de politierechter, maar zonder de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen in het arrest op te nemen. De raadsman van de verdachte had in hoger beroep vrijspraak bepleit, waardoor het hof volgens de Hoge Raad verplicht was om de bewijsmiddelen inhoudelijk te vermelden in het arrest.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof hiermee tekort is geschoten en vernietigt het arrest voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Amsterdam voor een nieuwe berechting en beslissing. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens het ontbreken van een inhoudelijke weergave van bewijsmiddelen in het arrest.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01930
Datum23 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 mei 2024, nummer 23-002474-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.C. de Lange bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar enkel wat betreft de beslissingen ten aanzien van de feiten in de zaak met parketnummer 15-008952-23 en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof – door bevestiging van het vonnis van de politierechter – ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 15-008952-23 niet de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen heeft opgenomen in zijn uitspraak, terwijl het hof daartoe was gehouden omdat de raadsman van de verdachte in hoger beroep ten aanzien van deze feiten vrijspraak heeft bepleit.
2.2.1
De politierechter heeft in de zaak met parketnummer 15-008952-23 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“1
hij op 14 januari 2022 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 12.35 gram, van een materiaal bevattende cocaïne;
2
hij op 14 januari 2022 te [plaats] een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie, meerdere scherpe centraal-vuur projectielpatronen categorie III, voorhanden heeft gehad.”
2.2.2
Het mondeling vonnis van de politierechter is op grond van artikel 378 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting. Dat proces-verbaal en die aantekening houden onder meer in:
“De politierechter deelt onder meer mede de korte inhoud van de navolgende stukken uit het dossier:
(...)
Ten aanzien van 15-008952-23:
ten aanzien van feit 1 en 2:
X.
- een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (dossierpagina’s 50 e.v.):
ten aanzien van feit 1:
XI.
- een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (dossierpagina’s 70 e.v.):
XII.
- een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen (dossierpagina’s 190 e.v.):
XIII.
- een rapport van het NFI d.d. 21 februari 2022 met kenmerk 2022.02.18.121 (dossierpagina 201):
ten aanzien van feit 2:
XIV.
- een proces-verbaal onderzoek ombouw gas/alarmvuurwapen, patroonmagazijn en munitie (dossierpagina’s 241 e.v.);
XV.
- een proces-verbaal vooronderzoek lab (dossierpagina’s 219 e.v.):
XVI.
- deskundigenrapportage Forensisch DNA-onderzoek (dossierpagina’s 227 e.v.):
(...)
De verdachte, ter terechtzitting ondervraagd, verklaart als volgt:
A
(...)
Ten aanzien van 15-008952-23 feit 1 en 2:
Het klopt dat ik op 14 januari 2022 op het adres [a-straat 1] te [plaats] was en dat ik daar op een groot bed aan het slapen was, toen de politie kwam. Ik heb op 14 januari 2022 de patroonhouder waarop mijn DNA is aangetroffen, opgepakt. Er zaten kogels in. Het klopt dat ik tegen de politieagent heb gezegd dat hij mijn rijbewijs uit mijn tas mocht halen.
(...)
Aantekening van het mondeling vonnis
(...)
3.2
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
De hiervoor onder A weergegeven verklaring van de verdachte. Hetgeen van de dossierstukken in dit proces-verbaal hiervoor onder I t/m XXI is opgenomen.
3.3
Bewijsoverweging
Ten aanzien van het bewijs overweegt de politierechter nog het volgende.
(...)
Ten aanzien van 15-008952-23:
Ten aanzien van feit 1:
De ten laste gelegde cocaïne is aangetroffen in de tas van de verdachte, waarin ook zijn rijbewijs zat, terwijl de tas op de kamer lag waar de verdachte lag te slapen op het moment dat de politie de woning betrad. De politierechter gaat er daarom vanuit dat de aangetroffen cocaïne van de verdachte was. De verdachte heeft het verweer dat de cocaïne door een ander in zijn tas moet zijn gestopt, niet onderbouwd. De politierechter acht dit dan ook niet aannemelijk.
Ten aanzien van feit 2:
Het wapen lag in dezelfde kamer en in hetzelfde bed als waar de verdachte lag te slapen op het moment dat de politie het pand betrad. De verdachte zegt dat hij zich niet van de aanwezigheid van het wapen bewust was. De politierechter acht dit echter ongeloofwaardig nu het DNA van de verdachte is aangetroffen op de patroonhouder die bij het wapen hoort en in het wapen zat. Gelet op de gehele context en alles wat er in het pand is gevonden, is de politierechter van oordeel dat de verdachte het wapen op de ten laste gelegde datum en plaats voorhanden heeft gehad.”
2.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar onder meer aangevoerd:
“De verdediging stelt zich op het standpunt dat op basis van het wettige bewijs geen overtuiging kan bestaan dat het is gegaan volgens de lezing van de politierechter en de advocaat-generaal. De lezing van cliënt wordt niet weersproken door enig bewijsmiddel in het dossier. Beschikkingsmacht was er, maar de vraag is of met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat hij zich bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen en het daarmee voorhanden
heeft gehad. Ik noem hierbij twee arresten van de Hoge Raad met de ECLI-nummers: ECLI:NL:HR:2020:504 en ECLI:NL:HR:2020:507. Het DNA van cliënt op de patroonhouder is wellicht een aanwijzing, echter is aan de gehele buitenzijde van het vuurwapen onderzoek gedaan en daar is geen DNA aangetroffen van cliënt. Het ligt in de lijn der verwachting dat indien cliënt beschikkingsmacht had over het vuurwapen, hij dan ook enig spoor op het vuurwapen had achtergelaten. Daarnaast zijn op andere delen van het vuurwapen vier DNA sporen aangetroffen van in ieder geval drie verschillende personen, waarvan één vrouw. Daaruit kun je opmaken dat meerdere personen het wapen voorhanden zouden kunnen hebben gehad. Bij deze mate van onzekerheid vraag ik u – in het licht van in dubio pro reo – cliënt vrij te spreken.
Ten aanzien van het aanwezig hebben van cocaïne geldt ook in dubio pro reo. We kunnen wel vaststellen dat het zijn tas was waarin de cocaïne is aangetroffen, maar meer dan dat is er niet. Het staat niet vast dat het zijn portemonnee is. Zijn dacty zijn er niet op aangetroffen. Het is ook niet logisch dat hij naar zijn eigen tas wijst als hij weet dat daar cocaïne in zit.”
2.2.4
De meervoudige kamer van het hof heeft bij schriftelijk arrest het vonnis van de politierechter onder meer wat betreft de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 15-008952-23 bevestigd.
2.3
Artikel 359 lid 3 Sv Pro luidt:
“De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.”
2.4
De raadsman van de verdachte heeft bij de behandeling van de zaak in hoger beroep vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 15-008952-23. Het hof had het vonnis daarom alleen mogen bevestigen met de in artikel 423 lid 1 Sv Pro bedoelde aanvulling van gronden, die bestaat uit de in artikel 359 lid Pro 3, eerste volzin, Sv bedoelde weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen voor het in de zaak met parketnummer 15-008952-23 onder 1 en 2 bewezenverklaarde (vgl. HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026). Hier is immers geen sprake van de situatie dat de enkelvoudige kamer van het hof mondeling arrest wijst als bedoeld in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197).
2.5
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, is het terecht voorgesteld.
2.6
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het eerste en het tweede cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het in de zaak met parketnummer 15-008952-23 onder 1 en 2 tenlastegelegde en de strafoplegging;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 juni 2026.