Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Voor de cassatieprocedure is griffierecht verschuldigd. Belanghebbende deed een beroep op betalingsonmacht en diende een formulier en brief in ter onderbouwing.
De griffier van de Hoge Raad stelde belanghebbende in de gelegenheid om de betalingsonmacht nader te onderbouwen, maar concludeerde dat deze niet aannemelijk was gemaakt. Ondanks meerdere aanmaningen en een termijnstelling werd het griffierecht niet voldaan.
Belanghebbende gaf aan dat zijn inkomen onvoldoende was om het griffierecht te betalen, maar leverde geen concrete gegevens of bewijsstukken aan. De Hoge Raad oordeelde dat op basis van de aangeleverde informatie niet kon worden geconcludeerd dat het voor belanghebbende onmogelijk of uiterst moeilijk was om het griffierecht te voldoen.
Daarom werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:41, lid 6, eerste volzin, Awb. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en sprak het arrest uit op 19 juni 2026.