2.3Het hof heeft over dit feit onder meer overwogen:
“
Beoordeling van het hof ten aanzien van zaak A feit 1
Ten aanzien van de Mercedes Benz uit de erfenis van [naam 1]Het hof is van oordeel dat op grond van het dossier niet mag en daarmee niet kan worden vastgesteld dat de Mercedes uit de erfenis van [naam 1] van misdrijf afkomstig is. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Vast staat dat de Mercedes aan [naam 1] toebehoorde en er zijn aanwijzingen dat de verdachte na het overlijden van [naam 1] al dan niet in de vorm van medeplegen handelingen heeft verricht ten aanzien van de Mercedes. Ook is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat het dossier wel aanwijzingen bevat dat het vermogen van [naam 1] van misdrijf afkomstig is. Een bewijsvermoeden is echter op zichzelf onvoldoende om vast te stellen dat de Mercedes van misdrijf afkomstig is. [naam 1] is nimmer voor witwassen of onderliggende gronddelicten vervolgd, laat staan onherroepelijk veroordeeld. De verdediging heeft onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europees hof voor de rechten van de mens (EHRM, Vulakh and others v. Russia, ECHR 10 januari 2012, 33468/03) kort gezegd aangevoerd dat de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) eraan in de weg staat dat postuum de schuld van [naam 1] aan enig strafbaar feit wordt vastgesteld. Het hof onderschrijft de uitleg van de verdediging inzake deze inmiddels bestendige jurisprudentie van het Europees hof. De vraag ligt dan voor of met de vaststelling - als daartoe gekomen zou kunnen worden - dat de Mercedes al dan niet gedeeltelijk uit enig misdrijf afkomstig is en waarbij de mogelijkheid dat dit een door [naam 1] gepleegd strafbaar feit is zeker niet denkbeeldig is, ook sprake zou zijn van het postuum vaststellen van schuld van [naam 1] aan enig strafbaar feit - een vaststelling waartegen [naam 1] zich niet meer kan verdedigen. Die vraag kan naar het oordeel van het hof niet anders dan bevestigend worden beantwoord. Dat brengt mee dat het hof indachtig de onschuldpresumptie verder geen oordeel kan en zal geven aangaande de al dan niet criminele herkomst van het vermogen van [naam 1] en de hier in geding zijnde Mercedes.
Het hof begrijpt dat een en ander in voorkomende gevallen tot het maatschappelijk onwenselijke gevolg kan leiden dat crimineel vermogen door het overlijden van de oorspronkelijke – nog niet onherroepelijk veroordeelde – eigenaar via derden in de legale economie terecht kan komen. Het hof acht deze uitkomst echter op basis van de huidige wetgeving onontkoombaar.
Naar het oordeel van het hof is aldus niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de Mercedes uit de erfenis van [naam 1] heeft witgewassen, zodat de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken. Hetgeen de verdediging overigens ten aanzien van de Mercedes als verweer heeft aangevoerd, behoeft geen verdere bespreking.
Vaststellingen
Het hof stelt, in lijn met het vonnis van de rechtbank, het volgende vast ten aanzien van de contante stortingen en de betalingen voor luxe goederen.
Er is onderzoek gedaan naar de vermogenspositie van de verdachte. Uit een iCOV-bevraging is gebleken dat de verdachte een uitkering ontving van de gemeente Amsterdam. In 2016 was zijn netto-inkomen € 11.693,00 en ontving hij zorgtoeslag. [betrokkene 1] , de partner van de verdachte, had in 2016 een netto-inkomen van € 13.118,00. Daarnaast ontving zij een kindgebonden budget en zorgtoeslag. Verder had zij per 10 augustus 2016 een Audi A6 met kenteken [kenteken 3] en per 24 april 2017 een KIA Sportage met kenteken [kenteken 2] op haar naam staan.
Vervolgens is onderzoek gedaan naar de bankrekeningen van de verdachte. In de periode van 3 februari 2016 tot en met 23 februari 2017 heeft de verdachte gebruik gemaakt van een Rabobank-rekening met nummer [rekeningnummer 2] . Van 22 januari 2017 tot en met 12 oktober 2017 heeft de verdachte gebruik gemaakt van een ING-rekening met nummer [rekeningnummer 1] . Op de Rabobank-rekening zijn tussen 5 januari 2016 en 16 januari 2017 21 contante stortingen gedaan, onder meer in coupures van € 200,00. Het totaalbedrag dat op deze rekening is gestort bedraagt € 34.977,00. Op de ING-rekening zijn 14 contante storingen gedaan in de periode van 7 februari 2017 tot en met 30 oktober 2017. In totaal is er € 73.060,00 op deze rekening gestort.
Op 6 november 2017 is de woning gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] doorzocht. De verdachte verblijft samen met zijn partner op dat adres. Bij deze doorzoeking zijn verschillende facturen aangetroffen, waaronder een factuur van [bedrijf 2] van 7 februari 2017, gericht aan “ [verdachte] ” met adres [a-straat 1] te [plaats] . De factuur heeft betrekking op de aankoop van een KIA Sportage, waarbij als aanbetaling € 5.000,00 contant is betaald. Ook is een factuur aangetroffen van hetzelfde autobedrijf van 24 april 2017, wederom gericht aan “ [verdachte] ”. Die factuur heeft betrekking op dezelfde aankoop van de KIA Sportage met kenteken [kenteken 2] voor een totaalbedrag van € 19.150,00. Op die factuur is aangegeven: contant voldaan. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij voornoemde KIA Sportage inderdaad contant heeft betaald.
Verder is een factuur aangetroffen van [bedrijf 1] te [plaats] van 9 augustus 2016, gericht aan [betrokkene 1] met adres [a-straat 1] te [plaats] . Deze factuur heeft betrekking op de aankoop van een Audi A6 met kenteken [kenteken 3] voor een bedrag van € 18.500,00. De eigenaar van [bedrijf 1] is op 20 december 2017 als getuige gehoord. Hij verklaarde dat hij een man en vrouw heeft ontmoet en gesproken over de aankoop van de Audi A6. De man was groot en breed en had een donkere huidskleur. De auto is op naam van de vrouw, [betrokkene 1] , gezet. Aan de getuige was gevraagd hoeveel er contant kon worden betaald. De getuige is akkoord gegaan met een betaling via de bank van € 12.500,00. De man heeft bij het ophalen van de auto € 6.000,00 contant betaald. De verdachte is verder op verschillende momenten geobserveerd door het onderzoeksteam. Op verschillende data (24 en 27 juli 2017 en 27 en 31 oktober 2017) is gezien dat de verdachte in de Audi A6 reed.
Bij de doorzoeking werd ook een betalingsbewijs van Clinique [...] van 21 mei 2017 aangetroffen, dat is gericht aan [verdachte] en betrekking heeft op een liposuctie aan de buik ter waarde van € 3.115,00. Dat bedrag is contant voldaan.
De verdachte stond indertijd ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats] . Op dat adres heeft eveneens een doorzoeking plaatsgevonden. Daarbij is een factuur aangetroffen. Het betreft een factuur van Seats en Sofas B.V. van 31 mei 2017 van € 2.199,00 die betrekking heeft op de aanschaf van onder meer meubels en kussens. De factuur is gericht aan [verdachte] met adres [b-straat 1] te [plaats] . Op 7 april 2017 is een aanbetaling van € 500,00 gedaan. Op 31 mei 2017 is het restant van € 1.699,00 contant voldaan.
Verder is bij de aanhouding van de verdachte op 6 november 2017 een horloge aangetroffen. Het gaat om een Rolex Oyster Perpetual van het type Datejust met serienummer [0003] . Er is onderzoek gedaan naar de echtheid van dat horloge. Gebleken is dat het horloge echt was en tussen de € 7.100,00 en € 10.500,00 waard is. Ten slotte zijn onder de verdachte nog andere geldbedragen en luxe goederen inbeslaggenomen, deze staan op de beslaglijst, die als bijlage I aan dit arrest is gehecht.
Beoordeling
Het hof stelt vast dat op grond van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld uit welk(e) gronddelict(en) bovengenoemde geldbedragen afkomstig zijn. Daarmee is naar bestendige jurisprudentie ter zake van witwassen het zogenoemde zes-stappenplan van toepassing.
Uit het dossier blijkt dat de verdachte beschikt over onverklaarbaar vermogen. De verdachte en zijn vriendin hebben een inkomen op uitkeringsniveau en beschikken over bankrekeningen met een nihil of negatief saldo. Desondanks is er, nog los van de contante betalingen, in de periode van 5 januari 2016 tot en met 30 oktober 2017 een bedrag van in totaal € 108.037,00 contant geld op de twee rekeningen van de verdachte gestort. Gelet hierop is er naar het oordeel van het hof sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen en ligt het op de weg van de verdachte om een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven voor de herkomst van deze geldbedragen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat de op de bankrekening van de verdachte gestorte contante geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Het geld was deels afkomstig van de verkoop van onroerend goed in Suriname en deels afkomstig van de (biologische) vader van de verdachte. Ook heeft de verdachte € 12.500,00 geleend van zijn schoonzus en € 30.000,00 in contanten geleend van [medeverdachte].
Het hof overweegt ten aanzien van deze verklaringen als volgt.
Lening van € 30.000,00 van [medeverdachte]
De verdachte heeft verklaard dat hij € 30.000,00 heeft geleend van [medeverdachte], die het bedrag in één keer contant aan de verdachte heeft gegeven. In het dossier ziet het hof aanwijzingen dat de verdachte inderdaad geld van [medeverdachte] heeft geleend. Daarom geldt deze verklaring als een concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring. Dit bedrag aan legaal geld is in verhouding echter dusdanig gering, dat het mogelijk legale karakter daarvan door vermenging met het overige vermogen en de daarmee gedane uitgaven met dubieuze herkomst teniet wordt gedaan.
Ten aanzien van de overige onder zaak A feit 1 tenlastegelegde onderdelen heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd, anders dan dat deze betalingen zouden zijn gedaan met het legaal geld afkomstig van financiële ondersteuning van de vader van de verdachte en de verkoop van het onroerend goed in Suriname. Hetgeen daarover eerder is overwogen geldt ook ten aanzien van deze onderdelen.
Gelet op het voorgaande kunnen de verklaringen van de verdachte – behalve ten aanzien van de lening van [medeverdachte] welke verklaring om een andere reden de verdachte geen soelaas kan bieden – niet worden aangemerkt als verklaringen die de vereiste maatstaf halen. Nu er sprake is van een vermoeden van witwassen en de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van deze gelden, is het hof van oordeel het niet anders kan zijn dan dat de contante stortingen op de bankrekeningen van de verdachte en de door hem gedane contante betalingen afkomstig zijn van enig misdrijf.
Het witwassen heeft een zodanige omvang en continuïteit gehad dat het hof bewezen acht dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt. Ten aanzien van de twee Rolex horloges is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [medeverdachte], zodat het hof medeplegen ten aanzien van deze voorwerpen eveneens bewezen acht.”
3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat door het openbaar ministerie is voorgesteld