ECLI:NL:HR:2026:946

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
25/00362
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 lid 2 Wet WOZArt. 30a lid 2 letter b Wet WOZWet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpmBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt uitspraak over proceskostenvergoeding bij WOZ-waarde en onroerendezaakbelasting

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning en de aanslag onroerendezaakbelasting voor 2019. Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde niet te hoog had vastgesteld, maar dat hij in strijd met artikel 40 lid 2 Wet Pro WOZ handelde door de gevraagde grondstaffel pas in de beroepsprocedure te verstrekken. Het hof kende een vergoeding toe voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en een beperkte proceskostenvergoeding toe, waarbij het griffierecht werd vergoed.

De Hoge Raad stelde vast dat het hof ten onrechte geen volledige proceskostenvergoeding toekende voor de schending van artikel 40 lid 2 Wet Pro WOZ, ook al had belanghebbende meerdere grieven. De Hoge Raad vernietigde daarom het oordeel van het hof en de rechtbank voor zover het de proceskostenvergoeding betrof en bepaalde dat het griffierecht voor de behandeling bij de rechtbank en in cassatie door de heffingsambtenaar en het college moet worden vergoed.

Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor de rechtbank, het hof en cassatie, waarbij de vergoeding werd berekend op basis van het aantal proceshandelingen, het gewicht van de zaak en de puntwaarde conform het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm. De beslissing van het hof over de vergoeding van griffierecht in hoger beroep bleef in stand omdat de Staat daartegen geen cassatieberoep had ingesteld.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het oordeel over proceskostenvergoeding en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/00362
Datum3 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE VUGHT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 januari 2025, nr. 22/148 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (nr. SHE 19/3481) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2019.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Uitgangspunten in cassatie

Aan belanghebbende is voor het jaar 2019 een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) gegeven, waarbij de waarde van de woning aan de [a-straat 1] in [Z] (hierna: de woning) is vastgesteld. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor dat jaar bekendgemaakt.

3.De oordelen van het Hof

3.1
Het Hof is evenals de Rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar van de gemeente Vught (hierna: de heffingsambtenaar) de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.
3.2
Het Hof heeft verder geoordeeld dat de heffingsambtenaar heeft gehandeld in strijd met artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, omdat hij de door belanghebbende gevraagde grondstaffel pas heeft verstrekt in de beroepsprocedure voor de Rechtbank. Het Hof ziet hierin geen aanleiding tot het veroordelen van de heffingsambtenaar in de proceskosten, omdat dit gebrek niet doorslaggevend is geweest voor het instellen van beroep door belanghebbende, gelet op tal van andere grieven die belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd en die los staan van de gebrekkige informatievoorziening.
3.3
Het Hof heeft aan belanghebbende een vergoeding van immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase van bezwaar en (hoger) beroep. Daarin heeft het Hof wel aanleiding gevonden om aan belanghebbende een vergoeding van proceskosten toe te kennen. Het Hof heeft deze vergoeding met toepassing van 1 (punt) x € 907 (waarde per punt) x 0,25 (factor gewicht van de zaak) vastgesteld op € 226,75. Deze vergoeding dient bij helfte te worden vergoed door de heffingsambtenaar en de Minister van Justitie en Veiligheid, aldus het Hof. Met inachtneming van deze verdeelsleutel heeft het Hof verder bepaald dat het voor het instellen van hoger beroep betaalde griffierecht moet worden vergoed.

4.Beoordeling van het middel

4.1
Het middel, dat zich richt tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof, is terecht voorgesteld. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, is de omstandigheid dat belanghebbende in (hoger) beroep niet alleen klaagt over de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, maar ook andere klachten tegen de uitspraak op bezwaar aanvoert, bijvoorbeeld met betrekking tot de vastgestelde WOZ-waarde, geen omstandigheid op grond waarvan het toekennen van een vergoeding van een proceskostenvergoeding achterwege kan blijven. [2]
4.2
De omstandigheid dat het Hof wel een vergoeding van proceskosten aan belanghebbende heeft toegekend in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, brengt niet zonder meer mee dat het Hof met die vergoeding kon volstaan. De mogelijkheid bestaat namelijk dat toepassing van de regels van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) leidt tot een hogere vergoeding indien ook rekening wordt gehouden met de gegronde klacht van belanghebbende over schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ. Het middel slaagt daarom.

5.Slotsom

Uit het voorgaande volgt dat de bestreden uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. De uitspraken van het Hof en de Rechtbank moeten worden vernietigd maar uitsluitend met betrekking tot de beslissing over vergoeding van de in het geding voor het Hof en voor de Rechtbank gemaakte proceskosten. Verder dient het voor het geding bij de Rechtbank betaalde griffierecht te worden vergoed door de heffingsambtenaar. Hoewel de hiervoor in onderdeel 4 vermelde overwegingen meebrengen dat het hoger beroep gegrond is, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) daarom het voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht niet ten dele zou hoeven te vergoeden, [3] laat de Hoge Raad de beslissing van het Hof over de vergoeding van griffierecht met toepassing van de hiervoor in 3.3 vermelde verdeelsleutel in stand, aangezien de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tegen die beslissing geen beroep in cassatie heeft ingesteld.

6.Proceskosten

6.1
De heffingsambtenaar zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor de Rechtbank en het geding voor het Hof. Daarbij zal worden uitgegaan van
(i) drie proceshandelingen in beroep (beroepschrift, verschijnen ter zitting en schriftelijke inlichtingen), en daarmee van 2,5 punten, en vijf proceshandelingen in hoger beroep (beroepschrift, schriftelijke inlichtingen, verschijnen ter zitting, schriftelijke reactie op de door het Hof te stellen prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, en schriftelijke opmerkingen in de prejudiciële procedure bij de Hoge Raad), en daarmee van 5 punten,
(ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in deze fasen, en
(iii) een puntwaarde van € 934 voor het beroep en hoger beroep.
Dat komt neer op een vergoeding van € 2.335 voor het geding voor de Rechtbank, en een vergoeding van in totaal € 4.670 voor het geding voor het Hof. Omdat het Hof blijkens zijn hiervoor in 3.3 weergegeven oordeel, de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) voor een bedrag van € 113,38 heeft veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, en de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tegen dit oordeel in cassatie niet is opgekomen, blijft deze beslissing van het Hof in stand. Met inachtneming daarvan zal de heffingsambtenaar worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof tot een bedrag van € 4.556,62 (€ 4.670 - € 113,38).
6.2
De Hoge Raad ziet aanleiding voor een veroordeling in de kosten van het geding in cassatie. De Hoge Raad berekent die vergoeding met inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm. [4] Bij die berekening gaat de Hoge Raad uit van
(i) één proceshandeling (beroepschrift in cassatie) en daarmee van 2 punten,
(ii) factor 1 wegens het gewicht van de zaak in cassatie,
(iii) de waarde per punt die is neergelegd in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit, en
(iv) vermenigvuldiging met de factor 0,10, zoals bedoeld in artikel 30a, lid 2, letter b, van de Wet WOZ, aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (een WOZ-beschikking en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen) worden vernietigd of gewijzigd.
Dat komt neer op een proceskostenvergoeding van € 187.

7.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraken van het Hof en de Rechtbank voor zover het betreft de kosten van aan belanghebbende in hoger beroep en in beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 143,
- draagt de heffingsambtenaar van de gemeente Vught op aan belanghebbende te vergoeden het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 47,
- veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 187 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Vught in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 4.556,62 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 2.335 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, rechtsoverwegingen 4.4.3 en 4.4.4.
3.Daardoor doet zich geen geval voor als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverwegingen 3.14.1 en 3.14.2.
4.Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.