Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:916

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
24/03012
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad stelt vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn vast op €500

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag waterschapsbelasting 2020 en vorderde vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. De rechtbank wees het bezwaar ongegrond en verzuimde te beslissen op de vergoeding van immateriële schade. Het hof kende een vergoeding toe wegens overschrijding van ongeveer een half jaar, maar matigde deze van €500 naar €50 vanwege de eenvoud en het geringe financiële belang van de zaak.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte de vergoeding had gematigd en verwees naar een eerder arrest waarin de redelijke termijn en vergoeding zijn toegelicht. De overschrijding van ruim twee maanden rechtvaardigt een vergoeding van €500. De overige klachten tegen het hofarrest werden verworpen zonder nadere motivering.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de vergoeding van immateriële schade betreft, stelde de vergoeding vast op €500 en veroordeelde de Staat tot betaling van het griffierecht en proceskosten voor belanghebbende. Hiermee wordt de bescherming van het recht op een redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedures benadrukt.

Uitkomst: De Hoge Raad stelt de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn vast op €500 en veroordeelt de Staat in proceskosten.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03012
Datum12 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN HET WATERSCHAP AMSTEL, GOOI EN VECHT
de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 juni 2024, nr. 22/2434 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 20/6249) betreffende een aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de waterschapsbelasting.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt
daarvan deel uit.
Zowel het dagelijks bestuur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P1], als de Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het Dagelijks Bestuur heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

De heffingsambtenaar van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht heeft het bezwaar tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de waterschapsbelasting voor het jaar 2020 ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep van belanghebbende eveneens ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daarbij verzuimd te beslissen op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.

3.De oordelen van het Hof

3.1
Belanghebbende heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de Rechtbank een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting had moeten toekennen aangezien de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden en belanghebbende om een dergelijke vergoeding heeft verzocht. Het Hof heeft aanleiding gezien om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn met (afgerond) een half jaar toe te kennen. Het Hof heeft het als regel toepasselijke tarief van € 500 per half jaar overschrijding vervolgens in deze zaak gematigd tot € 50 en de schadevergoeding daarom beperkt tot € 50.
3.2
Aan deze beslissing heeft het Hof ten grondslag gelegd dat het hier gaat om een zaak (i) die inhoudelijk eenvoudig is met reeds vele malen verworpen standaardklachten, (ii) met een relatief gering en puur financieel belang, en (iii) die is gebaseerd op een gebruikelijke beschikking met een gelding van korte duur. Op grond hiervan heeft het Hof geoordeeld dat het vergoeden van de (veronderstelde) psychische schade van belanghebbende naar het tarief van € 500 per half jaar zou leiden tot een evident ongerechtvaardigde overcompensatie.

4.Beoordeling van de middelen

4.1
Het tweede middel is gericht tegen de hiervoor in 3.1 en 3.2 vermelde oordelen van het Hof over de hoogte van de vergoeding van immateriële schade. Het middel slaagt op de gronden vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122, rechtsoverwegingen 4.2.1 tot en met 4.2.3.
4.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.3.1
Gelet op wat hiervoor in 4.1 is beslist, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven voor zover deze de vergoeding van immateriële schade betreft. De Hoge Raad kan de zaak afdoen door de hoogte van de vergoeding van immateriële schade zelf vast te stellen.
4.3.2
De redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is, naar het Hof onbestreden heeft vastgesteld, met ruim twee maanden overschreden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 500.

5.Proceskosten

De Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, voor zover deze betreft de vergoeding van immateriële schade,
- stelt het bedrag van de door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te vergoeden immateriële schade vast op € 500,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.736 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.