Uitspraak
1.Geding in cassatie
Zowel de Staatssecretaris van Financiën, vertegenwoordigd door [P1], als de Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek om vergoeding van immateriële schade. Aangezien deze reactie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.
2.Uitgangspunten in cassatie
3.Beoordeling van de klachten
Omdat de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg volledig is toe te rekenen aan de beroepsfase, dient de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te worden veroordeeld tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht voor de beroepsfase.
4.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
5.Proceskosten
De Staat is in dit geding als procespartij betrokken vanwege het financiële belang dat zij heeft bij de in cassatie bestreden beslissing van het Hof over de vergoeding van griffierecht voor de beroepsfase voor het geval de Hoge Raad oordeelt dat de eerste cassatieklacht van belanghebbende niet tot cassatie kan leiden. Aangezien het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie uitsluitend wat deze laatstvermelde beslissing van het Hof betreft leidt tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, is er aanleiding om de Staat te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.