ECLI:NL:HR:2026:86

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
23/04473
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen met betrekking tot immateriële schadevergoeding en griffierecht

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure over een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, opgelegd aan [X] B.V. De zaak betreft een beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 26 oktober 2023, waarin de Inspecteur in hoger beroep ging tegen een eerdere uitspraak van de Rechtbank Den Haag. De Rechtbank had de naheffingsaanslag en de rentebeschikking verminderd en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van kosten en griffierecht. Belanghebbende verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg volledig aan de beroepsfase was toe te rekenen, en dat de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) moest worden veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en immateriële schade. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof, maar alleen wat betreft de beslissing over de vergoeding van het griffierecht voor de beroepsfase. De Hoge Raad stelde ook een schadevergoeding van € 500 vast voor de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/04473
Datum23 januari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 26 oktober 2023, nr. BK-22/00928 [1] , op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 20/6133) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Zowel de Staatssecretaris van Financiën, vertegenwoordigd door [P1], als de Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
1.2
Belanghebbende heeft op 4 december 2025 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep.
De Minister van Justitie en Veiligheid heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek om vergoeding van immateriële schade. Aangezien deze reactie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
De Inspecteur heeft belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen opgelegd en daarbij een beschikking inzake belastingrente ten aanzien van belanghebbende gegeven. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag en de rentebeschikking gehandhaafd.
2.2.1
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 11 augustus 2022 het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep gegrond verklaard, de naheffingsaanslag en de rentebeschikking verminderd, en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de kosten van tijdens de bezwaarfase en de beroepsfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De Rechtbank heeft verder de Inspecteur veroordeeld tot het vergoeden van het door belanghebbende aan de Rechtbank betaalde griffierecht.
2.2.2
Belanghebbende had de Rechtbank verzocht om een vergoeding van immateriële schade wanneer de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het bezwaar en het beroep zou worden overschreden. Aangezien die termijn ten tijde van het wijzen van de uitspraak van de Rechtbank (11 augustus 2022) was overschreden en die overschrijding uitsluitend was toe te rekenen aan de beroepsfase, heeft de Rechtbank de Minister van Justitie en Veiligheid veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade.
2.3
Het Hof heeft – op het hoger beroep van de Inspecteur – geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd en dat de rentebeschikking in stand moet blijven. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, behoudens de beslissing over de vergoeding van immateriële schade. Het heeft het door belanghebbende bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard. In de omstandigheid dat de Rechtbank de hiervoor in 2.2.2 bedoelde vergoeding van immateriële schade heeft toegekend, heeft het Hof aanleiding gezien de Minister van Justitie en Veiligheid te veroordelen in de kosten van in de beroepsfase aan belanghebbende beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Er is geen aanleiding voor vergoeding van het bij de Rechtbank betaalde griffierecht, aldus het Hof.

3.Beoordeling van de klachten

3.1
De Hoge Raad heeft de eerste klacht over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klacht niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3.2
De tweede klacht ziet op het hiervoor in 2.3 weergegeven oordeel van het Hof dat er geen aanleiding is voor het vergoeden van het door belanghebbende voor de beroepsfase betaalde griffierecht.
3.3
In zijn arrest van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567 (hierna: het arrest van 31 mei 2024), heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de aanleiding tot het vergoeden van griffierecht niet kan zijn gelegen in de omstandigheid dat de behandeling van het beroep, na het instellen daarvan, onredelijk lang heeft geduurd. De Hoge Raad is daarmee teruggekomen van eerdere rechtspraak over deze kwestie. [2] Bij wijze van overgangsrecht heeft de Hoge Raad daarbij bepaald dat in een zaak waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan de datum van dat arrest heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, en (ii) de redelijke termijn voor die fase van de procedure op de datum van het arrest is overschreden, een aanspraak op vergoeding van griffierecht wordt geëerbiedigd.
3.4
De tweede klacht slaagt. Belanghebbende heeft vóór de uitspraak van de Rechtbank op 11 augustus 2022 en dus vóór het arrest van 31 mei 2024 verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en, zoals hiervoor in 2.2.2 is overwogen, was de redelijke termijn ook vóór 31 mei 2024 overschreden. Belanghebbende had daarom volgens de tot 31 mei 2024 geldende rechtspraak van de Hoge Raad recht op vergoeding van het aan de Rechtbank betaalde griffierecht. Het hiervoor in 2.3 weergegeven oordeel van het Hof dat er geen aanleiding is voor het vergoeden van het aan de Rechtbank betaalde griffierecht, geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
3.5
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
Omdat de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van eerste aanleg volledig is toe te rekenen aan de beroepsfase, dient de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te worden veroordeeld tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht voor de beroepsfase.

4.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

4.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad op 4 december 2025 verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade.
4.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 16 november 2023. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn van niet meer dan zes maanden. Het financiële belang bij deze procedure bedraagt meer dan € 1.000. [3] Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 500.

5.Proceskosten

5.1
In dit geding in cassatie heeft de Hoge Raad zowel de Staatssecretaris als de Staat als procespartij betrokken.
5.2
Het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van het Hof voor zover dit cassatieberoep de juistheid van de opgelegde naheffingsaanslag betreft.
De Staat is in dit geding als procespartij betrokken vanwege het financiële belang dat zij heeft bij de in cassatie bestreden beslissing van het Hof over de vergoeding van griffierecht voor de beroepsfase voor het geval de Hoge Raad oordeelt dat de eerste cassatieklacht van belanghebbende niet tot cassatie kan leiden. Aangezien het door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie uitsluitend wat deze laatstvermelde beslissing van het Hof betreft leidt tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, is er aanleiding om de Staat te veroordelen in de kosten van het geding in cassatie.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vergoeding van het griffierecht voor de beroepsfase,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep heeft betaald van € 354,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan belanghebbende van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 548, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.868 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.

Voetnoten

2.HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.14.1.
3.Vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, rechtsoverwegingen 3.4.1 tot en met 3.4.6.