Belanghebbende stelde in hoger beroep voor het eerst een verzoek in om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de belastingprocedure over het jaar 2015. Het hof wees dit verzoek af omdat belanghebbende dit niet uiterlijk bij de eerste aanleg had gedaan, verwijzend naar een arrest van de Hoge Raad uit 2016.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof dit onjuist heeft beoordeeld, omdat uit het arrest van 2016 volgt dat een dergelijk verzoek ook voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. De overige klachten van belanghebbende leiden niet tot vernietiging van het hofarrest.
De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn in eerste aanleg met meer dan zes maar minder dan twaalf maanden is overschreden, zonder bijzondere omstandigheden die verlenging rechtvaardigen. De totale duur van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep overschrijdt de redelijke termijn van vier jaar.
Daarom kent de Hoge Raad belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe van €1.000 wegens de overschrijding in eerste aanleg. Tevens worden proceskosten aan belanghebbende toegekend en wordt de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en kosten.
Dit arrest bevestigt het belang van tijdige afhandeling van belastingprocedures en bevestigt dat verzoeken om immateriële schadevergoeding ook in hoger beroep kunnen worden ingediend.