Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
3.De oordelen van het Hof
Het Hof heeft daarbij vooropgesteld dat de primaire doelstelling van de verhuurderheffing is gelegen in het genereren van inkomsten. In de parlementaire geschiedenis van de Wet verhuurderheffing (hierna: de Wvh), de voorganger van de in de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (hierna: de Wmw II) opgenomen verhuurderheffing, is onder meer vermeld dat de verhuurderheffing een belangrijk element vormt van het geheel van de maatregelen dat als doel heeft voor zowel het koop- als het huursegment de woningmarkt beter te laten functioneren, aldus het Hof. Voorts is vermeld dat het rijksbeleid ertoe heeft geleid dat er een marktsegment voor betaalbare huurwoningen is ontstaan dat een hoge mate van stabiliteit en gewaarborgde inkomsten kent voor verhuurders, en dat door de overheid een markt van gereguleerde woningen met betaalbare huur is gecreëerd door middel van objectsubsidies gericht op de bouw van sociale huurwoningen. Tegen deze achtergrond heeft het kabinet het redelijk geacht dat alle verhuurders die op de gereguleerde markt actief zijn en een belang hebben bij stabiliteit en gewaarborgde inkomsten, door middel van deze heffing een bijdrage leveren aan de uitgaven van het Rijk, aldus het Hof, onder verwijzing naar Kamerstukken II 2012/13, 33 407, nr. 3, blz. 2-3. Het voorgaande is volgens het Hof, onder verwijzing naar Kamerstukken II 2013/14, 33 756, nr. 3, blz. 6-8, eveneens vermeld in de parlementaire geschiedenis van de verhuurderheffing vanaf 2014, de Wmw II.
Naar het oordeel van het Hof kan uit het enkele aannemen van die motie niet worden afgeleid dat de wetgever de verhuurderheffing niet mogelijk en niet verantwoord achtte indien de verhuurders geen inkomsten uit de IAH hadden. Uit de door het Hof genoemde, hiervoor in 3.2.3 vermelde wetsgeschiedenis volgt volgens het Hof dat de IAH, ook na de motie Essers, geen voorwaarde was voor de invoering van de verhuurderheffing en dat de wetgever geen formeel verband tussen een eventuele huurverhoging en de verhuurderheffing heeft beoogd. Dat de wetgever daarvan is teruggekomen, volgt niet uit de parlementaire geschiedenis, ook niet uit Kamerstukken II 2012/13, 32 847, nr. 42, aldus het Hof.
4.Beoordeling van de middelen
Ook betogen de middelen dathet Hof hoe dan ook een oordeel had moeten geven over de hiervoor in 3.2.1 onder (i) omschreven vraag of de IAH buiten toepassing moet worden gelaten omdat zij verboden staatssteun vormt dan wel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Het buiten toepassing laten van de IAH brengt volgens de middelen mee dat ook de verhuurderheffing buiten toepassing moet blijven.
Voor zover het middel betoogt dat het Hof heeft miskend dat de verhuurderheffing de doelstelling heeft om inkomsten uit de IAH af te romen en dat deze heffing, net zoals de aanvankelijke box 3-heffing, op regelniveau in strijd komt met artikel 1 EP Pro omdat de verhuurderheffing ten onrechte niet aansluit bij de door verhuurders gegenereerde feitelijke IAH-inkomsten, faalt het op de gronden vermeld in de onderdelen 7.7, 7.8 en 7.10 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
De keuze om ten aanzien van alle mede-eigenaren de verhuurderheffing buiten toepassing te laten, is kennelijk ingegeven door de gedachte dat dit tijdelijk zou zijn, totdat nieuwe wetgeving – waarin het rechtstekort zou zijn opgeheven – van kracht zou zijn. Aldus werd de bestaande willekeurige en daarmee onrechtmatige heffingsverdeling tussen mede-eigenaren onderling voor het jaar 2019 de facto opgeheven, met als onvermijdelijk gevolg dat mede-eigenaren ten opzichte van volle eigenaren werden begunstigd. Deze tijdelijke ongelijke behandeling van volle en mede-eigenaren moet, in aanmerking nemend dat de (rechts)positie van volle eigenaren – die niet onrechtmatig werden behandeld – niet werd beïnvloed, voor het jaar 2019 gerechtvaardigd worden geacht indien de wetgever binnen een redelijke termijn een nieuwe regeling met een rechtmatige heffingsverdeling tussen mede-eigenaren in het leven roept.