ECLI:NL:HR:2026:744
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake aanslag inkomstenbelasting 2018
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 25 april 2024, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland inzake de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2018 had behandeld.
De Staatssecretaris van Financiën diende een verweerschrift in, waarna belanghebbende een conclusie van repliek indiende met klachten die als nieuwe, buiten de termijn voorgestelde gronden werden aangemerkt. De Hoge Raad ging aan deze klachten voorbij.
Na beoordeling van de middelen concludeerde de Hoge Raad dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. De Hoge Raad motiveerde dit oordeel niet, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd op 1 mei 2026 in het openbaar uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de belastingkamer.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het hofarrest blijft in stand.