Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
In het testament van 17 december 2015 staat dat de wettelijke verdeling van toepassing is. Echter
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 januari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak vorderen de kinderen van de erflater een verklaring voor recht dat de zorgverlener en latere echtgenote geen rechten kan ontlenen aan het testament van 2015 op grond van art. 4:59 lid 1 BW Pro. De zorgverlener had vanaf 2014 zorg verleend, trouwde in 2016 met de erflater en was benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder.
De rechtbank en het hof wezen de vordering van de zorgverlener toe, maar verklaarden tevens dat zij geen rechten aan het testament kon ontlenen vanwege de vernietigingsgrond in art. 4:59 lid 1 BW Pro. De Hoge Raad bevestigt dat het beroep op vernietiging van het testament door de kinderen een afwerend beroep is dat te allen tijde kan worden gedaan.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat voor de uitzondering in art. 4:60 lid 2 BW Pro de hoedanigheid van de begunstigde op het moment van het opmaken van het testament bepalend is, niet het moment van overlijden. Ook is niet vereist dat de zorgverlener BIG-geregistreerd is om als beroepsbeoefenaar in de zin van art. 4:59 BW Pro te worden aangemerkt.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de zorgverlener als beroepsbeoefenaar individuele gezondheidszorg heeft verleend en daarom geen erfrechtelijke voordelen uit het testament kan trekken. De kosten van het cassatiegeding worden aan de zorgverlener opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de zorgverlener geen erfrechtelijke rechten kan ontlenen aan het testament op grond van art. 4:59 lid 1 BW en verwerpt het cassatieberoep.