Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:397

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
23/04451
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wet Vpb 1969Art. 3.8 Wet IB 2001Art. 3.25 Wet IB 2001Art. 20b lid 1 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over passivering voorwaardelijke betalingsverplichting in vennootschapsbelasting

Belanghebbende, een vennootschap, stelde zich in cassatie op het standpunt dat een voorwaardelijke betalingsverplichting voortvloeiend uit een fusieovereenkomst op de fiscale balans mocht worden gepassiveerd, inclusief de oprentingslasten en ongerealiseerde valutaresultaten.

Het Gerechtshof Amsterdam had geoordeeld dat de betalingsverplichting pas onvoorwaardelijk wordt wanneer de opschortende voorwaarden zijn vervuld en dat passivering van een voorwaardelijke verplichting niet mogelijk is. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat fiscale passivering alleen mogelijk is bij een juridisch afdwingbare verplichting.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat passivering als voorziening niet mogelijk is omdat de toekomstige betaling moet worden aangemerkt als een storting van informeel kapitaal en niet als een aftrekbare uitgave.

De overige klachten van belanghebbende worden eveneens verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het voorwaardelijke incidentele beroep vervalt omdat het principale beroep ongegrond is verklaard.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat passivering van een voorwaardelijke betalingsverplichting pas mogelijk is nadat deze onvoorwaardelijk is geworden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer23/04451
Datum13 maart 2026
ARREST
in de zaak van
[X] S.À.R.L., als rechtsopvolger onder algemene titel van [A] N.V., (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 september 2023, nrs. 23/00085 en 23/00086 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 20/3245 en HAA 20/3246) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2015 en 2016 opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door F.P.G. Pötgens en T.M. Vergouwen, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
1.2
Belanghebbende heeft schriftelijk haar zienswijze over het voorwaardelijke incidentele beroep naar voren gebracht.
1.3
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.
1.4
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 21 juni 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2] Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de in het principale beroep in cassatie voorgestelde middelen
2.1
Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende, gelet op de door haar, haar kleindochtermaatschappij en een derde partij gesloten fusieovereenkomst, haar dochtermaatschappij heeft bevoordeeld niet doordat zij het recht op levering van aandelen via deze maatschappij heeft doen toekomen aan haar kleindochtermaatschappij, maar doordat zij de betalingsverplichting van de kleindochtermaatschappij ter zake van het aan die maatschappij toekomende recht op levering van die aandelen op zich heeft genomen.
De Hoge Raad heeft de klachten van middel II, dat zich tegen dit oordeel richt, beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.2.1
De middelen I en III betreffen de op grond van de fusieovereenkomst op belanghebbende rustende betalingsverplichting voor de door haar kleindochtermaatschappij volgens die overeenkomst te kopen aandelen. De fusieovereenkomst en daarmee ook de betalingsverplichting zijn afhankelijk van opschortende voorwaarden en worden pas onvoorwaardelijk indien onzekere, buiten de macht van de bij die overeenkomst betrokken partijen gelegen toekomstige gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. De middelen betogen dat een dergelijke voorwaardelijke betalingsverplichting op de fiscale balans mag worden gepassiveerd, hetzij als schuld, hetzij als voorziening, en dat daarbij jaarlijks de oprentingslast en het ongerealiseerde valutaresultaat ter zake van deze voorwaardelijke betalingsverplichting in aanmerking mogen worden genomen.
2.2.2
Dat betoog wordt verworpen. Met een betalingsverplichting mag voor fiscale doeleinden pas rekening worden gehouden wanneer een juridisch afdwingbare verplichting tot betaling bestaat. [3] Dat is bij een onder een opschortende voorwaarde aangegane betalingsverplichting pas het geval nadat die verplichting onvoorwaardelijk is geworden doordat de opschortende voorwaarde is vervuld. [4] Passivering van de onderhavige voorwaardelijke betalingsverplichting als schuld is dus niet mogelijk.
2.2.3
Passivering van de onderhavige voorwaardelijke betalingsverplichting als voorziening is evenmin mogelijk. Een voorziening dient ertoe om toekomstige aftrekbare uitgaven die door gebeurtenissen in eerdere jaren worden opgeroepen, als kosten aan die eerdere jaren toe te rekenen. [5] Een in de toekomst te verrichten betaling als de onderhavige is echter geen aftrekbare uitgave, omdat die betaling moet worden aangemerkt als een storting van informeel kapitaal en als zodanig moet worden bijgeboekt op de kostprijs van de deelneming in de dochtermaatschappij. Hieruit volgt dat passivering van de hiervoor in 2.2.1 bedoelde oprentingslasten en ongerealiseerde valutaresultaten ter zake van de voorwaardelijke betalingsverplichting evenmin mogelijk is.
2.2.4
Reeds op grond van hetgeen hiervoor in 2.2.2 en 2.2.3 is overwogen, falen de middelen I en III in zoverre.
2.3
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten van de middelen I en III beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Het voorwaardelijke incidentele beroep in cassatie

Aangezien het incidentele beroep in cassatie alleen is ingesteld voor het geval het principale beroep in cassatie zou slagen, maar dit geval zich niet voordoet, vervalt dat incidentele beroep gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb.

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2026.

Voetnoten

3.Vgl. HR 11 juli 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8465, rechtsoverweging 4.2, en HR 3 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1504, rechtsoverweging 4.6.2.
4.Vgl. HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1270, rechtsoverweging 3.2.4, tweede en laatste alinea.
5.Vgl. HR 19 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1922, rechtsoverweging 3.2.