Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2.Uitgangspunten in cassatie
1. de koper heeft een nieuwe vennootschap (hierna: de nieuwe vennootschap) opgericht;
2. de koper verstrekt aan de aandeelhouder een lening van € 55.700.000;
3. de aandeelhouder leent het bedrag van € 55.700.000 door aan belanghebbende;
4. belanghebbende splitst haar onderneming ter waarde van € 55.700.000 en haar schuld van € 55.700.000 af naar de nieuwe vennootschap tegen uitreiking van één aandeel aan de aandeelhouder, waarna het saldo van het afgesplitste vermogen € 1 bedraagt;
5. de aandeelhouder stort haar vordering van € 55.700.000 op (dan) de nieuwe vennootschap op het door haar verkregen aandeel in deze vennootschap, waarna het vermogen van de nieuwe vennootschap € 55.700.000 bedraagt; en
6. de aandeelhouder verkoopt haar aandeel in de nieuwe vennootschap aan de koper voor € 55.700.000 en verrekent die verkoopprijs met de verkregen lening van € 55.700.000.
3.De oordelen van het Hof
4.Beoordeling van de middelen
b. indien de splitsende rechtspersoon blijft bestaan: de splitsende rechtspersoon geacht de vermogensbestanddelen die in het kader van de splitsing overgaan, ten tijde van de splitsing te hebben overgedragen aan de rechtspersoon of rechtspersonen waarop deze vermogensbestanddelen onder algemene titel overgaan (verkrijgende rechtspersoon respectievelijk verkrijgende rechtspersonen).
(….).
(…)”
a) als hoofddoel of een der hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking heeft; wanneer de rechtshandeling niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals herstructurering of rationalisering van de activiteiten van de bij de rechtshandeling betrokken vennootschappen, geldt het vermoeden dat die rechtshandeling als hoofddoel of een van de hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking heeft;
(…)”
Indien aandelen in de gesplitste rechtspersoon dan wel in een verkrijgende rechtspersoon binnen drie jaar na de splitsing, kort gezegd, worden vervreemd aan een lichaam dat niet met de gesplitste rechtspersoon en met de verkrijgende rechtspersonen is verbonden, wordt op grond van de laatste volzin van artikel 14a, lid 6, van de Wet de splitsing geacht niet plaats te vinden op grond van zakelijke overwegingen. Indien de belastingplichtige het tegendeel – dus dat zakelijke overwegingen zoals herstructurering of rationalisering van werkzaamheden aanwezig zijn – niet aannemelijk maakt, wordt op grond van de tweede volzin van artikel 14a, lid 6, van de Wet de splitsing geacht in overwegende mate te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Indien de belastingplichtige het tegendeel – dus dat de splitsing niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing – niet aannemelijk maakt, heeft dat op grond van de eerste volzin van artikel 14a, lid 6, van de Wet tot gevolg dat het voordeel van de splitsingsfaciliteit aan de belastingplichtige wordt onthouden.